The Whole Is More Than We Thought: Revisiting a Forgotten Big Idea

In 1926, a South African statesman named Jan Smuts published a bold theory about how the universe works. He called it holism, and while the word has since been hijacked by wellness culture, the original idea was serious science, a century ahead of its time.

Smuts noticed something that bothered him about mainstream science: it was very good at taking things apart, but struggled to explain how complex, organised things came together in the first place. How does a handful of atoms become a living cell? How does a cell become a mind? His answer: nature has a built-in tendency to form wholes – integrated structures that are genuinely more than the sum of their parts, not just in a poetic sense, but causally.

In other words, evolution isn’t only driven by random variation and natural selection. Something in the fabric of nature, Smuts argued, actively channels matter and energy toward organised, structured forms.

For most of the twentieth century, this sounded too mystical to take seriously. But here’s what’s changed: science now has the mathematical tools to ask Smuts’ question properly. Fields like dynamical systems theory and complexity science have shown how order genuinely does emerge from simpler components, and researchers are increasingly asking whether nature might be biased toward organisation, not just accidentally compatible with it.

As the hundredth anniversary of Smuts’ book arrives, his core question looks less like speculation and more like one of the deepest unsolved problems in science: why does the universe keep building increasingly complex, integrated structures, and is there a law behind it?

Read the full paper: Dos Santos, M., Weyers, P.J. & Martens, P. (2026). Holism at One Hundred: Jan Smuts, evolution, and the dynamics of organisation. Nature Africa, https://doi.org/10.1038/d44148-026-00101-3

From Information To Engagement In The Anthropocene: The Role Of The Media

Urban areas, with dense populations and concentrated consumption, are major contributors to CO₂ emissions, accelerating the progression of the Anthropocene. In this context, low-carbon city transformation is essential for sustainability and climate resilience. This transformation is a complex process requiring collaboration across sectors and stakeholders, with media serving as a crucial communication bridge connecting government, the public, and other actors. This study uses in-depth interviews combined with systems thinking and transdisciplinary insights to analyze media coverage and its role in China’s low-carbon city transition. Based on our research on how media shapes low-carbon city transitions, there are three key takeaways:

  1. Awareness without depth: Coverage is growing, but most reporting stays surface-level. Too few trained climate journalists and over-reliance on official press releases means complex phenomena rarely get proper scientific explanation.
  2. Format shapes influence: Video and animation are most effective at reaching the public. But in-depth written reports are what actually influence policy decisions and industrial transformation.
  3. Media as social bridge: Beyond informing, media facilitates the dialogue needed for coordinated action across government, business, NGOs and citizens. Sustained coverage can shift social norms, but climate anxiety, misinformation, and algorithmic filtering all erode trust and engagement.

The study is China-focused, but these dynamics – shallow coverage, format-dependent influence, and the tension between awareness and action- are recognizable across many countries with mixed public/commercial media, limited climate journalism training, and top-down environmental governance.

Read the full paper: Wu, Y., Martens, P. and Krafft, T. (2026) From information to engagement in the Anthropocene: media’s role in low-carbon city transformation in China. Frontiers in Climate. 8:1735834. https://doi.org/10.3389/fclim.2026.1735834

Waste Management: Habits Beats Intentions

Why do some people sort their waste without even thinking about it, while others never quite get into the habit? That’s the question of our new study. We surveyed residents in Rome and found that it’s not really about what people know or intend to do. It’s about what they do automatically.

When waste sorting becomes part of your daily routine, you’re far more likely to keep doing it. And what builds those habits? A genuine motivation to protect the environment. We also found that having well-placed, functional recycling bins matters more than you might thin, not because it changes people’s attitudes, but because it makes good habits easier to form and stick.

The practical takeaway for cities and policymakers: don’t just inform people. Help them build routines. Make the right behavior the easy, default behavior.

See for the full paper: Concari, A., Savastano, M., Kok, G. & Martens, P.(2026) Journal of Material Cycles and Waste Management,
https://doi.org/10.1007/s10163-026-02519-1

Voedselbos Als Dierenapotheek: Wat Zegt De Wetenschap?

Dit artikel is verschenen in het Voedselbossen Magazine, 2025, 3(4), 12-14.

Dieren in het wild hebben vaak een opmerkelijk instinct voor wat goed voor ze is. Ze herkennen geur, smaak en soms de werking van planten of mineralen in hun omgeving. Dit natuurlijke zelfzorggedrag wordt in de wetenschap zoofarmacognosie[i] genoemd: het gebruik van natuurlijke stoffen door dieren om ziekten, parasieten of andere gezondheidsproblemen te bestrijden.[ii] Het is gezien bij apen, olifanten, vogels en zelfs insecten.[iii] En dichter bij huis? Ook in Nederland vertonen dieren soms gedrag dat hierop lijkt. In voedselbossen speelt dit principe ook een rol: een diversiteit aan kruiden, struiken en bomen trekt dieren aan die zelf weten wat ze nodig hebben, terwijl hun aanwezigheid tegelijk bijdraagt aan het evenwicht en de gezondheid van het ecosysteem. Wat voorbeelden.

Das(look)

In het vroege voorjaar, wanneer de bladeren van daslook uit de grond komen, eten dassen ze graag. Ze graven ook de bollen op. Daslook bevat zwavelverbindingen zoals allicine, bekend van knoflook, die antimicrobieel en mogelijk wormafdrijvend werken. Hoewel er geen hard wetenschappelijk bewijs is dat dassen dit bewust doen om zich te ‘ontwormen’, is het aannemelijk dat het hen helpt na de winterslaap, wanneer darmparasieten vaker voorkomen. Ook wilde zwijnen zijn dol op daslook, mogelijk om vergelijkbare redenen.[iv]

Zelfmedicatie bij egels

Ook egels tonen mogelijk gedrag dat geïnterpreteerd kan worden als zelfmedicatie. Hoewel zij vooral insecten en slakken eten, zijn er observaties van egels die zich actief inwrijven met bladeren van aromatische planten zoals duizendblad, kamille of valeriaan. Deze planten bevatten insectenwerende en schimmelremmende stoffen. De exacte reden is nog niet bewezen, maar het past bij het bredere beeld dat dieren stoffen uit hun omgeving benutten om gezond te blijven.

Reeën, herten en natuurlijke pijnstillers

Grote herbivoren zoals reeën en edelherten knagen geregeld aan jonge wilgentakken. Wilgenbast bevat salicine, dat in het lichaam wordt omgezet in salicylzuur – verwant aan aspirine en bekend om pijnstillende en ontstekingsremmende werking. Hoewel we niet precies weten of herten dit extra eten bij pijn, krijgen ze er wel degelijk een natuurlijke pijnstiller mee binnen. Ze eten ook geregeld brandnetels, vooral als de bladeren jong of verwelkt zijn. Brandnetel is rijk aan mineralen zoals ijzer en magnesium en staat bekend als bloedzuiverend en ondersteunend voor de stofwisseling.

Kleine zoogdieren en wilde kruiden

Kleine herbivoren zoals konijnen en hazen eten vaak planten die ook geneeskrachtig voor mensen zijn. Paardenbloem werkt mild vochtafdrijvend en ondersteunt de lever. Grote weegbree bevat stoffen die verzachtend en ontstekingsremmend werken, zowel bij maag-darmklachten als bij wondjes. Mogelijk profiteren de dieren van deze eigenschappen, maar of ze de planten bewust kiezen bij ziekte blijft lastig te bewijzen.

Vossen

Over vossen is minder bekend, maar er zijn meldingen van kruidenresten zoals kamille en goudsbloem in hun burchten.[v] Beide planten bevatten stoffen die ontstekingsremmend en antimicrobieel zijn. Het gebruik van specifieke planten door vossen blijft vooralsnog vooral een plausibel vermoeden.

Nestmedicatie

Bij sommige vogels is het verband wél goed aangetoond. Soorten als de huismus, koolmees en spreeuw verwerken bewust aromatische planten zoals lavendel, salie of kamille in hun nesten. Deze kruiden bevatten geuren en stoffen die bacteriën en parasieten weren. In stedelijke gebieden gebruiken mussen zelfs sigarettenfilters, waarbij het nicotine insecten doodt.[vi] Onderzoek toont aan dat nesten met zulke materialen minder last hebben van bloedmijten en luizen, en dat de kuikens gezonder opgroeien. Dit gedrag wordt nestmedicatie genoemd.

Amfibieën en microhabitats

Bij amfibieën zoals kikkers en padden is direct bewijs voor zelfmedicatie schaars. Wel kiezen sommige soorten modderige plekken of bodems die rijk zijn aan mineralen of plantenresten, mogelijk om de huid te beschermen tegen infecties. Dit blijft voorlopig een hypothese, maar is ecologisch goed voorstelbaar.

Rupsen en bijen

Rupsen van Nederlandse vlinders (zoals de dagpauwoog, kleine vos, atalanta en gehakkelde aurelia) eten brandnetel vooral omdat het hun vaste waardplant is. Sommige rupsen eten echter meer van een giftige plant zodra ze geïnfecteerd zijn, wat duidt op echte zelfmedicatie.[vii] Het is dus denkbaar dat Nederlandse brandnetel-etende rupsen dit ook doen, maar daar is nog weinig direct onderzoek naar.

Honingbijen verzamelen propolis, een hars uit planten, en gebruiken dit in hun nest. Deze stof werkt sterk tegen bacteriën en schimmels en helpt de bijenkolonie gezond te houden.[viii]

Het voedselbos als natuurlijke apotheek

In een voedselbos groeit een gevarieerd aanbod van voedselplanten, waaronder kruiden met geneeskrachtige eigenschappen. Deze planten zijn niet alleen waardevol voor mensen, maar ook voor dieren. Voedselbossen kunnen dus een plek zijn waar dieren vinden wat ze nodig hebben, niet alleen qua voedsel, maar ook voor hun gezondheid. Zoofarmacognosie, iets om misschien rekening mee te houden in het ontwerp van onze voedselbossen?


[i] Raman, R. & Kandula, S. (2008). Zoopharmacognosy: Self Medication in Wild Animals. Resonance, March, 245-253.

[ii] Zie ook: Wikipedia: https://en.wikipedia.org/wiki/Zoopharmacognosy

[iii] Huffman, A.H. (2021). Folklore, Animal Self-Medication, and Phytotherapy–Something Old, Something New, Something Borrowed, Some Things True. Planta Medica, 88, 187-199.

[iv] Băieş, M.H., Cotuţiu, V.D., Spînu, M. et al. (2024). In vivo assessment of the antiparasitic effects of Allium sativum L. and Artemisia absinthium L. against gastrointestinal parasites in swine from low-input farms. BMC Veterinarian Research,  20, 126 (2024). https://doi.org/10.1186/s12917-024-03983-3

[v] Zie ook: https://www.blackfoxes.co.uk/photography-ethics.php

[vi] Water, H. (2013). Bird Butts. Scientific American, Feb 1. https://www.scientificamerican.com/article/cigarette-butts-help-birds-ward-off-parasites/

[vii] Singer, M.S., Mace, K.C. & Bernays, E.A. (2009). Self-medication as adaptive plasticity: increased ingestion of plant toxins by parasitized caterpillars. PLoS ONE, 4(3). https://doi.org/10.1371/journal.pone.0004796

[viii] Simone-Finstrom M., Borba R.S., Wilson M., Spivak M. (2017). Propolis Counteracts Some Threats to Honey Bee Health. Insects, 8(2):46. https://doi.org/10.3390/insects8020046

Publiek Geld Moet naar Mensgericht Biomedisch Onderzoek In Plaats Van Apenproeven

Nederland kan koploper blijven in diervrije biomedische innovatie mits de politiek nu doorpakt.

Wij, een groep Nederlandse wetenschappers en artsen, roepen het kabinet en de Eerste Kamer op om publiek geld te verschuiven van proeven met apen in biomedisch onderzoek naar beter mensgericht onderzoek. Dat is sneller, betrouwbaarder en diervriendelijker. Politiek Den Haag kan nu laten zien dat Nederland kiest voor wetenschap van de toekomst.

Deze zomer besloot de Tweede Kamer dat de jaarlijkse subsidie van 12,5 miljoen euro van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) voor het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) stap voor stap moet verschuiven van onderzoek met apen naar onderzoek met diervrije innovaties. Het BPRC is het grootste Europese centrum waar apen in biomedisch onderzoek worden gebruikt. De Eerste Kamer moet de begroting van OCW, waar het BPRC deel van uitmaakt, nog goedkeuren.

Op 28 oktober stemt de Eerste Kamer over de begroting. Daarmee wordt duidelijk of het geld voor biomedisch onderzoek met apen daadwerkelijk verschuift naar beter mensgericht onderzoek.


Het onderzoekssysteem met apen werkt niet

Een onafhankelijke commissie stelde dit jaar vast dat wetenschappers het niet eens zijn over de waarde van proeven op apen in biomedisch onderzoek. Toch besloot minister Bruins eerder zonder meer proeven op apen nog minstens vijf jaar onveranderd door te laten gaan, ondanks een al eerder aangenomen Tweede Kamer-motie uit 2016 om af te bouwen. Dat doet denken aan de tijd dat men koste wat dat kost vasthield aan paard en wagen terwijl de auto al klaarstond.


De praktijk laat zien dat resultaten uit apenonderzoek slecht te vertalen zijn naar mensen

HIV-vaccins die bij apen veelbelovend leken, mislukten allemaal in klinische studies. Een antistollingtherapie (TGN1412) die bij apen veilig leek, veroorzaakte bij gezonde vrijwilligers een levensbedreigende reactie. Ook bij hersenziekten zoals Alzheimer en Parkinson hebben tientallen jaren apenonderzoek geen genezende behandelingen opgeleverd. Zo gaan kostbare jaren en miljoenen euro’s verloren en wachten patiënten tevergeefs.

Mensgerichte methoden leveren meer op

De ontwikkeling van de COVID-vaccins liet zien dat het anders kan. Door meer gebruik te maken van menselijke modellen, minder dierproeven en een snelle start van klinische studies waren er in één jaar veilige en effectieve vaccins. Data die direct van mensen komen zijn betrouwbaarder en versnellen de zoektocht naar behandelingen voor ziekten die alleen bij mensen voorkomen.

We kunnen menselijke ziektes alleen genezen als we ze goed begrijpen. Apen in biomedisch onderzoek helpen daar niet bij, omdat deze ziektes bij hen vaak niet van nature ontstaan en kunstmatig moeten worden opgewekt.


Nieuwe technieken staan klaar

Nederlandse onderzoekers lopen wereldwijd voorop met organen-op-chip, mini-hersenen, donormateriaal, systeemgeneeskunde, kunstmatige intelligentie en onderzoek met patiënten en vrijwilligers. Volgens het besluit bedoeld het BPRC zijn budget in krijgt het vijf jaar de tijd om volledig om te schakelen. BPRC-onderzoekers beschikken over waardevolle kennis. Als zij die combineren met nieuwe technieken kan Nederland groeien tot een internationaal centrum voor innovatieve vaccintechnieken en beter mensgericht onderzoek naar ziekten, en zo verbonden blijven op toekomstige uitbraken van infectieziekten.


Apen laten lijden in labs is ethisch niet acceptabel

Apen zijn intelligente dieren die pijn en emoties herkennen. Hun lijden in laboratoria is niet te rechtvaardigen, zeker niet nu er betere en mensgerichtere wetenschapsmethoden zijn. Het continu uitstellen van de afbouw van apenproeven betekent dat de politiek impliciet het ongestraft toebrengen van ernstig lijden aan mensapen blijft uitstellen.


Onze oproep

Wij vragen de regering en de Eerste Kamer om de ingezette transitie naar beter mensgericht onderzoek te steunen en ervoor te zorgen dat het OCW-budget voor het BPRC daadwerkelijk verschuift naar proefdiervrije innovaties. Zo laat Nederland zien dat wetenschap niet stilstaat, maar kiest voor vooruitgang die mensen én dieren ten goede komt.

Ondertekend door:

Prof. dr. Merel Ritskes-Hoitinga, Evidence-Based Transition to Animal-Free Innovations, Universiteit Utrecht
Em. prof. dr. Huub Schellekens, Pharmaceutical Biotechnology, Universiteit Utrecht


Samen met:

  • Dr. Bernice Bovenkerk, Philosophy Group, Wageningen University & Research
  • Prof. dr. Peter J. Boogaard, Omgevingsgezondheid & Humane Biomonitoring, Wageningen University & Research
  • Prof. dr. Pim Martens, Hoogleraar Planetary Health, Maastricht University
  • Prof. dr. Leonie Cornips, Humanities Cluster (KNAW) & Universiteit Maastricht
  • Dr. Yvonne de Jong, Eastern Africa Primate Diversity and Conservation Program, Kenia
  • Drs. Marieke Kerstens, huisarts, voorzitter Physicians Association for Nutrition the Netherlands (PAN Nederland)
  • Prof. dr. Philip Macnaghten, Technology and International Development, Wageningen University & Research
  • Drs. Anna Krevota, diëtist radiologie en reumatologie, diëtist-onderzoeker, Reade Revalidatie en Reumatologie (Amsterdam)
  • Dr. Ev. Merije, Planetary Fellow, Panel for Planetary Thinking, Justus Liebig University Gießen / Dr. Carlo Alberto Pasqi, co-founder en managing director, Chiron
  • MSc. Bagr Nathalie de Ridder, onderzoeker dierenwelzijn, Inholland University of Applied Sciences
  • Dr. Antoine A.L. de Vries, Interuniversity Hospital Cardiology, Leids Universitair Medisch Centrum
  • Dr. C. Daniel van Schie, manager zorginnovatie en onderzoek, Nederlandse Brandwonden Stichting
  • Dr. Bas van Balkom, onderzoeker proefdiervrije technologie

Deze oproep is gepubliceerd 24 oktober in Trouw, Volkskrant, Parool en AD en wordt gefaciliteerd door Proefdiervrij en PETA, die het belangrijk vinden dat deze stemmen gehoord worden.

Voedselbossen en Klimaatverandering: Wat Zegt de Wetenschap?

Dit artikel is verschenen in het Voedselbossen Magazine, 2025, 3(3), 12-14.

Klimaatverandering is iets dat we niet langer kunnen negeren. Het is geen probleem van verre landen of toekomstige generaties: ook hier, in Nederland, krijgen we er steeds meer mee te maken. Warmere zomers, langere periodes van droogte en tegelijkertijd hevige stortbuien. Het landschap om ons heen zal veranderen en dat geldt ook voor de voedselbossen die we met zoveel zorg aanleggen.

Maar alhoewel we bij de aanleg van onze voedselbossen rekening moeten houden met een veranderend klimaat, zijn voedselbossen veerkrachtiger tegen klimaatverandering dan de traditionele landbouw. Verder spelen voedselbossen ook een rol in het dempen van de klimaateffecten. Ze kunnen helpen bij het vastleggen van CO₂, het verbeteren van de waterhuishouding en het afkoelen van onze omgeving.[i]

Laten we beginnen met de opslag van CO₂ – een van de belangrijkste broeikasgassen. Wereldwijd laten metingen zien dat voedselbossen – of breder: boslandbouw[ii] – veel meer koolstof kunnen opslaan dan reguliere landbouw. In tropische gebieden bijvoorbeeld slaan sommige voedselbossen meer dan 300 ton koolstof op per hectare.[iii] Dat is een gigantische hoeveelheid, zeker als je het vergelijkt met monoculturen waar veel minder koolstof in de bodem en in de planten zit. Bomen, struiken en bodembedekkers werken daar samen als een soort natuurlijke spons voor CO₂.

En hoe zit dat dan in Nederland? Hier zijn de cijfers iets bescheidener. Volgens het Nationaal Monitoringsprogramma Voedselbossen[iv] kunnen onze voedselbossen na dertig jaar zo’n 180 ton CO₂ per hectare hebben vastgelegd. Per jaar komt dat neer op minstens 6 ton CO₂-opslag per hectare. Vooral de oudere en rijker gestructureerde voedselbossen doen het goed. Het zijn de systemen met een gevarieerde opbouw – geen strakke rijen, maar een gelaagd bos – die het meeste bijdragen.

Ook als het gaat om waterregulatie doen voedselbossen het goed. In tropische gebieden heeft men al vastgesteld dat boslandbouw de erosie flink vermindert en dat de bodem het regenwater beter kan opnemen. In sommige gevallen halveert de erosie vergeleken met monoculturen, en het water dat valt wordt beter vastgehouden in de bodem.[v] Hier in Nederland zien we hetzelfde patroon op zandgronden: daar trekken regenbuien beter de bodem in en blijft het water langer beschikbaar voor planten. Dat kan in tijden van droogte het verschil maken en helpt bovendien om wateroverlast na stortbuien te beperken.

En dan het verkoelende effect. In de tropen is gemeten dat voedselbossen de temperatuur omlaag brengen. Ze zorgen ervoor dat het overdag minder heet wordt en dat de temperatuur ’s nachts minder snel daalt. Ook houden ze de luchtvochtigheid wat hoger.[vi] In Nederland is daar nog weinig over bekend, maar het is aannemelijk dat onze voedselbossen – net als gewone bossen – eenzelfde dempend effect op temperatuurverschillen hebben. Dat zou in de toekomst weleens heel belangrijk kunnen worden in een warmer en extremer klimaat.

Toch moeten we eerlijk zijn: er is nog veel dat we niet weten. Hoe snel slaan voedselbossen koolstof op als ze net zijn aangeplant? Alhoewel voedselbossen op voormalige akkers relatief snel koolstof kunnen opslaan, hangt het dit sterk van de beginsituatie af. Hoe werkt het precies in verschillende bodemsoorten? De bodemtextuur (zand, leem, klei) is de belangrijkste factor voor koolstofopslag en andere bodemparameters. Voedselbossen op zandgrond slaan gemiddeld minder koolstof op dan die op leem- en kleibodems. De trends over tijd en per bodemtype is nog niet goed zichtbaar en nader onderzoek is dan ook nodig. En hoe groot is het verkoelende effect in Nederland? Duidelijk is dat voedselbossen ecosysteemdiensten[vii] leveren zoals het bufferen van weersextremen, maar harde data over temperatuur- of microklimaateffecten ontbreken. De wetenschap is nog volop bezig met het beantwoorden van die vragen.

Maar terwijl we wachten op meer cijfers, is het volgend al duidelijk. Voedselbossen maken zichtbaar hoe we voedsel kunnen produceren op een manier die de natuur niet uitput, maar juist versterkt. Ze verkorten de weg van veld tot bord: er is minder transport nodig, we eten meer met de seizoenen mee en kiezen vaker lokaal. Ook worden in een voedselbos geen kunstmest of chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt.  Dat alles bij elkaar zorgt ook weer voor minder CO₂-uitstoot.

Dus ja, voedselbossen zijn misschien niet het wondermiddel dat in één klap de klimaatcrisis oplost. Maar ze zijn wel een stukje van de puzzel – én een prachtige manier om ons landschap én ons denken toekomstbestendig te maken.


[i] Zie bijvoorbeeld: Albrecht, S. and Wiek, A. “Food Forests: Their Services and Sustainability.”  Journal of Agriculture, Food Systems, and Community Development, 10(3), 2021. https://doi.org/10.5304/jafscd.2021.103.014

[ii] Boslandbouw (agroforestry) is een landbouwsysteem waarbij bomen, struiken, gewassen en soms vee bewust gecombineerd worden op één perceel, zodat ze elkaar aanvullen en samen bijdragen aan productie, biodiversiteit en ecosysteemdiensten zoals koolstofopslag, waterbeheer en bodemverbetering.

[iii] Zie bijvoorbeeld:

  • Gusli, S., et al. “Soil Organic Matter, Mitigation of and Adaptation to Climate Change in Cocoa–Based Agroforestry Systems.” Land, 9(9) 2020.  https://doi.org/10.3390/land9090323
  • Lingling S., et al. “Agroforestry Systems: Meta‐analysis of Soil Carbon Stocks, Sequestration Processes, and Future Potentials.” Land Degradation and Development, 29(11), 2018. https://doi.org/10.1002/ldr.3136

[iv] Nationaal Monitoringsprogramma Voedselbossen https://www.monitoringvoedselbossen.nl/

[v] Zie bijvoorbeeld: M. Muchane, et al. Agroforestry Boosts Soil-Health in the Humid and Sub-Humid Tropics: A Meta-Analysis.” Agriculture, Ecosystems & Environment, 295, 2021.https://doi.org/10.1016/j.agee.2020.106899

[vi] Zie bijvoorbeeld:

  • Niether, W. et al. “Cocoa Agroforestry Systems Versus Monocultures: A Multi-Dimensional Meta-Analysis.” Environmental Research Letters, 15(10), 2020. https://doi.org/10.1088/1748-9326/abb053
  • Jung, d.R. and Vendrametto, O.  “Agroforestry for Food Security and Public Health: A Comprehensive Review.” International Journal of Environmental Research and Public Health, 22(2), 2025. 645; https://doi.org/10.3390/ijerph22040645

[vii] Ecosysteemdiensten zijn de voordelen die mensen ontvangen van ecosystemen, zoals voedsel, drinkwater, klimaatregulatie, schone lucht, vruchtbare bodem en recreatiemogelijkheden.

Adapting to Climate Change on the Roof of the World

The Tibetan Plateau is one of the highest and most challenging places in the world to raise livestock. Cold winters, fragile grasslands, and the growing impacts of climate change make herding a demanding way of life. Due to the unique conditions on the Tibetan Plateau, many adaptation strategies that have worked elsewhere are unsuitable here.

Our research focused on 682 herder households in the Pumqu River Basin to explore the role of livestock diversification—keeping a mix of animals such as yaks, cattle, sheep, and goats—as a way to adapt to these conditions. Although diversification has long been part of Tibetan herding traditions, its potential as a climate adaptation strategy had not been fully examined.

The study found that diversification is widespread and is largely driven by opportunities rather than desperation. Households with more labour, better equipment, warm sheds, barns, and access to government support are more likely to keep a variety of animals. While changes in climate and the environment can also influence decisions, the pull of better resources and support is stronger. Diversification tends to increase total livestock numbers, which strengthens livelihoods and allows families to reinvest in their herds. Over time, this creates a cycle in which improved resources and more resilient herds reinforce each other.

These findings suggest that, in the right conditions, diversification can be a proactive and sustainable way for herders on the Tibetan Plateau to adapt to climate change and maintain their way of life.

Read the full open access paper here:

Yu, Y., Yan, J., Akin, S., Liu, H. & Martens, P. (2025). Livestock Diversification works as a helpful livelihood strategy for herders on the Tibetan Plateau: Implications for climate change adaptation. Sustainable Futures, 10, December 2025, 101116. https://doi.org/10.1016/j.sftr.2025.101116

Cool by Design: What Chinese Villages Teach Us About Climate, Comfort, and Community

Photograph: Wang Ziling

In a recent systematic review, we explored the links between spatial planning and how people experience and interact with their outdoor environments. Focusing on traditional Chinese villages, we found that elements such as building layout, vegetation, and open space design significantly influence not only the local microclimate but also people’s thermal comfort and social behavior.

What stood out was the importance of context. The effectiveness of certain design principles varies across geographic regions, cultural settings, and spatial scales—from single courtyards to entire village clusters. Another key insight: while many studies focus on temperature and airflow data, surprisingly few address how people actually experience and adapt to their environment.

We argue for a more integrated approach—one that blends climate-sensitive design with ecological awareness and human perception. In the face of rising temperatures and climate adaptation challenges, these traditional systems may offer valuable, place-based lessons for the future of rural development.

Read the full article here:
Wan, Z., Liu, H., Yu, Y., Wu, Y., Melchior, M., Martens, P., Krafft, T., & Shaw, D. (2025). How Does Outdoor Spatial Design Shape the Microclimate, Comfort, and Behavior in Traditional Chinese Villages? A Systematic Review Across Scales, Contexts, and Users. Sustainability17(15), 6960. https://www.mdpi.com/2071-1050/17/15/6960

Feeling the heat -or not?

Dutch youth are growing up in a world where environmental problems are hard to ignore. From disappearing green spaces to rising urban heat, many young adults feel these changes deeply. But how do they cope? And are we paying enough attention?

Our recent study surveyed over 1,000 young people in the Netherlands (aged 16–35) and found something striking: while nearly all respondents had experienced at least one form of environmental stress (especially noise and loss of nature), their emotional responses were far from uniform.

✅ About 20% reported that these stressors significantly affected their daily lives.
✅ 23% worried about the future of their local environment.
✅ 36% felt emotional pain (known as solastalgia) due to the degradation of their surroundings.
🚫 Yet at the same time, nearly 60% believed their own actions had little or no effect on environmental change.

The study reveals a complex picture: many young adults are clearly distressed by environmental degradation — but a large group also seems emotionally disengaged or feels powerless to act. Trust in government institutions is limited, and feelings of helplessness are widespread.

This mismatch between concern and engagement raises urgent questions:
How can we turn passive concern into meaningful action? How do we support young people in dealing with eco-anxiety and solastalgia? And how do we foster a sense of agency and collective care?

The answers may lie not just in policy, but in how we reconnect people — especially the next generation — with their local environments in ways that are empowering, inclusive, and hopeful.

Read the full study to explore how psychology, place attachment, and trust play a role in shaping how youth experience environmental change.

Venhof, V.S.M., Jeronimus, B.F. & Martens, P. (2025). Environmental Distress Among Dutch Young Adults: Worried Minds or Indifferent Hearts? EcoHealth https://doi.org/10.1007/s10393-025-01717-x

#EnvironmentalDistress #Solastalgia #DutchYouth #PlanetaryHealth #MentalHealth #EcoAnxiety #YoungVoices #Sustainability #ClimateJustice