Wat moeten dierentuinen doen om te overleven?

Interview en uitzending door EenVandaag:

Uitzending EenVandaag 24-7-2020

Het is een nachtmerriescenario, maar het kan zomaar gebeuren: dierentuinen die door de coronacrisis moeten sluiten. Want 27 van de ruim 30 dierentuinen in Nederland hebben het financieel erg zwaar, zegt de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen.

Mocht het misgaan, dan heeft dat gevolgen voor een groot aantal dieren. “In totaal hebben we het over zo’n 1000 diersoorten en 100.000 dieren in Nederlandse dierentuinen”, zegt Lisette de Ruigh van de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD). En daarom hebben ze bij het ministerie van Landbouw aangeklopt voor een noodpakket van 110 miljoen euro. Want door de lockdown en de bijhorende maatregelen leiden de dierentuinen een gezamenlijk verlies van 150 miljoen euro.

De noodklok luiden

Zware tijden voor Diergaarde Blijdorp. Financieel gaat het door corona erg slecht. Het Rotterdamse park is niet alleen: bijna alle dierentuinen in ons land staan op omvallen. Directeur Erik Zevenbergen doet wat hij kan, maar weet niet of het genoeg is.

Zoo Veldhoven luidde de noodklok al eerder. “Als dierenpark ben je afhankelijk van het hoogseizoen”, vertelt eigenaar Richard Loomans. “Juist dan moet je namelijk je inkomsten halen voor de rest van het jaar.” Het besluit van de overheid om dierenparken te sluiten kwam dan ook als een donderslag bij heldere hemel. “Het is makkelijk gezegd, maar al onze rekeningen moeten in die weken wel betaald worden.”

Invloed van corona

De dierentuinen die de impact van corona het snelst merken, zijn de dierentuinen zonder winstoogmerk, oftewel de stichtingen. “Elke euro die wordt verdiend wordt weer terug in het park gestopt”, vertelt Lisette de Ruigh. Deze parken hebben nauwelijks reserves, denk bijvoorbeeld aan Diergaarde Blijdorp in Rotterdam.

En Blijdorp is niet de enige. Ook Apenheul, Wildlands Zoo en Ouwehands dierenpark vertelden dit jaar ook te maken te hebben met een miljoenenverlies en maken zich daarom grote zorgen over de toekomst van hun park. Een woordvoerder van Apenheul vertelt dat zij maar maar 60 procent van de normale omzet draaien. “Dat is een verlies van 3 tot 4 miljoen dit jaar.”

Meer dan een dagje uit

Sinds Richard Loomans de papegaaienopvang in Veldhoven zeven jaar geleden overnam na een faillissement heeft hij er veel tijd en geld gestopt. Hij wist toen nog niet dat hij jaren later wéér in een crisissituatie terecht zou komen. “We hebben nieuwe volières gebouwd, maar ook andere dieren verwelkomt en van de papegaaienopvang een volwaardige zoo gemaakt.”

Pim Martens, hoogleraar duurzame mens-dierrelaties, kan goed begrijpen dat veel parken zich gaan heroriënteren. “Al helemaal na zo’n crisis”, zegt hij hierover. Naast een leuk dagje uit hebben ze bijvoorbeeld ook een voorlichtingsfunctie, zorgen ze voor educatie, streven ze naar behoud van diersoorten en doen ze wetenschappelijk onderzoek. “Maar sommige dierentuinen hebben ook een commerciële insteek. Dat kan wel eens op gespannen voet staan.”

Te veel amusement

“Het businessmodel van een dierentuin is vandaag de dag ontzettend moeilijk,” vertelt Martens. “Er moet een adventure- of dinopark bij om winstgevend te zijn en te kunnen rondkomen. Daardoor wordt een dierentuin te veel amusement, dat zou niet het hoofddoel moeten zijn.”

Volgens Lisette de Ruigh is dat hoofddoel nog altijd mensen bewust maken, inspireren en stimuleren om zorgen voor de natuur te hebben. In dierentuinen word je namelijk ondergedompeld in de natuur. “Mensen kunnen zich bewust worden van hun eigen rol in deze wereld. Wij dragen gewoon bij aan het behoud van natuur.”

Spagaat

Een dierentuin belandt daardoor al gauw in een soort spagaat. Dieren in een klein hokje zorgen er wél voor dat er onderzoek gedaan kan worden en zo dieren in het wild te kunnen helpen. Een zo goed mogelijke situatie voor het dier met zoveel mogelijk ruimte is vaak het doel. “Maar geef je ze te veel ruimte, dan ziet de bezoeker geen enkel dier meer,” merkt Martens op. “Terwijl je juist zoveel mogelijk bezoekers wil trekken, om die inkomsten vervolgens weer aan het dier te kunnen besteden.”

“Je wilt aan voorlichting doen, dat kost geld. Maar je wilt ook de dieren optimaal verzorgen”, zegt Martens. “Al die spanningen zijn er in elke dierentuin.”

Weinig compensatie

“Van de overheid krijgen we weinig compensatie”, zegt Loomans van Zoo Veldhoven. “Eenmalig 4000 euro voor een heel park. Als kleine zelfstandige, kan je daar wel 2 maanden van vooruit. Maar met een dierentuin en 25 man personeel, kunnen we onze dieren net een week voeren.”

In Nederland zijn 65 dierentuinvergunningen. Naast instellingen die dieren opvangen zoals Stichting Aap, zijn er ongeveer 30 échte dierenparken. “70 procent hiervan heeft echt flinke verliezen geleden”, laat de NVD weten. “Zonder overheidshulp gaan we het gewoon niet redden.”

Kantoorpersoneel knipt de kaartjes

De grote dierentuinen zijn 365 dagen per jaar open. “Maar vanaf april nemen ze personeel in dienst en begint het seizoen écht. Nu moesten de dierentuinen half maart dicht, terwijl de contracten met het personeel al waren afgesloten. De helft van de mensen was ineens niet meer nodig.”

“Omdat het eerste steunpakket van de overheid is gebaseerd op de maand maart, de maand waarin je nog minder mensen in dienst hebt, ontvang je uiteindelijk ook minder dan je eigenlijk nodig hebt.” Om zoveel mogelijk personeelskosten te besparen wordt in Blijdorp nu kantoorpersoneel ingezet om kaartjes te knippen.

Seizoensgebonden bedrijven

Voor een tweede steunpakket is als basis de gemiddelde omzet over 2019 genomen, vertelt De Ruigh. Oftewel de zomer- en wintermaanden verdelen over 12 maanden.

Het tweede steunpakket geldt voor de maanden juni, juli en augustus, de topmaanden, die zelfs met een dagbezetting van maximaal 40 procent van de capaciteit, een hogere maandomzet geven dan de gemiddelde omzet per maand in 2019. Hierdoor krijgen seizoensgebonden bedrijven, zoals dierentuinen bijna geen subsidie.

Gevolgen

Waar de bezoekersaantallen laag blijven, gaat de zorg voor de dieren wel door. Voor de dieren is het een ramp dat dierenparken in zwaar weer zitten. “Als dit echt lang blijft duren, ben ik bang dat de kosten gepaard gaan met het verzorgen van de dieren”, vertelt Martens. Ook Loomans van Zoo Veldhoven maakt zich zorgen. “Als de papegaaien moeten worden losgelaten hebben ze geen enkele kans om te overleven.”

In het najaar wordt duidelijk welk welke parken het eerst de nasleep van het virus gaan merken. De ministeries van Landbouw en Economische Zaken zijn op de hoogte van de situatie bij Nederlandse dierentuinen. Afgesproken is dat er op korte termijn een gesprek is met de dierentuinen, waarbij alle hierbij betrokken partijen worden uitgenodigd. De schade van de crisis blijft volgens De Ruigh nog een langere tijd zichtbaar. “Het gaat nog jaren duren om hiervan te herstellen.”

arbij alle hierbij betrokken partijen worden uitgenodigd. De schade van de crisis blijft volgens De Ruigh nog een langere tijd zichtbaar. “Het gaat nog jaren duren om hiervan te herstellen.”

Kudos to Felida Big Cat Centre

Tigress Dehli welcoming us

While on a short summer break in the Northern-part of the Netherlands (Friesland), we visited the Big Cat Centre FELIDA. Felida is located in a small village Nijeberkoop, and takes care of big cats that were abused, neglected or discarded and were forced to live under poor conditions in private captivity, circuses and zoos. 

As you can read from their website, Four Paws officially became involved with the big cat centre in Nijeberkoop at the end of 2013. Since then a lot has happened: Several animals have been brought to Lionsrock, a big cat sanctuary in South Africa. As a result, more space became available for the animals staying behind.

We were hosted by Simone, and met some of the staff working at Felida. Of course, we were also able to see the animals that are currently been taken care off, like the young lion brothers Masoud and Terez, and their Uncle Ivan-Asen, rescued from a zoo in Bulgaria. The lions Lenci and Bobby, that were rescued from ‘Europe’s worse zoo’ in Albania, and the tigress Dehli. All of them with their own stories of abuse, inbred, and more… 

As was explained, Felida was able to develop into a ‘special care’ centre for big cats with physical or mental traumas. With great admiration we looked at the work done. The big cats we saw were rescued from poor conditions, and are unable to be released into the wild. Felida provides them the care they need and the staff is very commitment to do this in the most optimal way. We left with mixed feelings. Somewhat sad, realizing that this work is needed, and that there are still people mistreating these beautiful animals. But also with a positive vibe, knowing that other people do care. Kudos to the team and work done at FELIDA!

Scientivists urgently needed!

Almost every scientist recognises this picture. Having devoted much of their lives to perform research on a specific issue, but not being able to get the message outside the academic walls (and it’s not only the government that’s ‘out there’). This holds for the more fundamental sciences, but even more so for research on more complex issues, like climate change, poverty, biodiversity loss, financial-economic crisis, and the current corona pandemic.

Of course, many scientists are to be blamed as well. Being so caught up in their own scientific square centimetre, they are unable to communicate the main message of their research to others. Stimulated by the perverse publication system that only accounts for peer-reviewed publications (and not so much for more understandable messages), leaves people outside academia with only scientific papers. Not very useful in the public arena.

But still. Isn’t it funny, that a society that pays lots of money to universities and research centres, that does value teaching and research done at these places highly, then dismisses results of these institutes if it is not ‘handy’, and perhaps a little too vague?

Academia has responded through the initiation of new fields of research, such as sustainability science, focusing on research collaborations among scientists from different disciplines and non-academic stakeholders from business, government, and the civil society. Not so much for the fundamental sciences, but for the earlier mentioned ‘complex societal issues’ humanity faces today. The idea behind this is that we all need to work together in order to address sustainability challenges and develop real solution patterns.

Well, that’s a step in the right direction. However, being good scientists, this idea of ‘sustainability science’ is becoming formalised rapidly. And  – although classified by concepts such as post-normal, mode-2, triple helix, and other science paradigms – it still are ‘scientific’ classifications. With other words, it is being ‘bounded’ by similar rules that apply to other sciences as well.

From a scientific point of view, this is fine. But what about the point of view of moving forward to a more sustainable world? Does this not oblige scientists to take more responsibility, especially at times when many signals in nature and society are red? Or do we (scientists) continue to discuss the rules under which ‘sustainability science’ needs to be operated? Rules that probably will be ‘dismissed’ by the other stakeholders if it suits their purpose?

It is about time for many (more) scientists to become scientivists. Scientivists are people that are engaged in a systematic activity to acquire knowledge (the ‘science part’), to promote, impede, or direct societal change (the ‘activist part’). Scientivism can take a wide range of forms from writing letters to newspapers or politicians, to economic activism, such as boycotts, sit-ins etc. Scientivists are not afraid of interfering with legitimized procedures and official politics when science shows this would be needed.

On the other hand, scientivists must be aware that their actions may increase the risk of scientific results inappropriately being used into social discourses and in the media. This might lead to situations where, for instance, researchers find themselves unwittingly “supporting” an application of the generated knowledge they might strongly disagree with.

It is, therefore, not a ‘job’ (as for most of us ‘being a scientist’ is), but rather an ‘attitude’. An attitude that may be urgently to move forward to a more sustainable society. As in this era of social media, opportunities for scientivists will increase as we speak, there are no reasons not to join…unless you do not have that attitude…

(Published earlier (in 2012) by Pim Martens and Jan Rotmans)

See also (in Dutch): Een taxonomie van de wetenschapsactivist and The meaning of academia in times of environmental crisis.

Pathways of universities’ transformation for sustainability

Leuphana University

Universities worldwide have a clear mandate to participate in the endeavour for sustainable development through institutional transformation. Moreover, it is recognised that universities are well-positioned to identify and navigate pathways of transformation towards sustainability given their propensity for consideration of the extended time horizon for sustainability outcomes . Yet, despite their being organisations of learning, they struggle to set up structures to promote their own organisational learning. This is a problematic paradox as researchers repeatedly place universities at the centre of the ‘fundamental transformation’ that sustainable development demands of social actors, organisations, institutions and societies. Therefore, universities must also work on their own transformations if they are to operationalise their aspirations to implement sustainable development in their surroundings. This is an especially urgent imperative given the wicked problems they are tasked with providing solutions for, such as relieving anthropogenic pressures on the global environment and attaining population wellbeing in the face of growing inequality.

Leuphana Universität Lüneburg, Arizona State University, and Hong Kong University of Science and Technology

We analyzed three case studies of universities that have transformed themselves as organisations towards sustainability with signature pathway approaches: Leuphana Universität Lüneburg, Arizona State University, and Hong Kong University of Science and Technology. These universities first invested significant time, energy, and human resources in learning about and researching themselves, before embarking along differentiated pathways of transformation. They also showed that any blueprint of organisational transformation for sustainability should be rooted in the intrinsic logic of the organisations in question. This may prove meaningful for leaders (youth, academic or otherwise) elsewhere to prioritise specific asset development within their organisations, as they show how to shape competencies conducive to organisational transformation for sustainability. They also provide stepping-stones for knowledge actors in universities to navigate organisational and societal transformation towards sustainability, in light of the radical and regenerative adaptation that must now take place.

Alex Baker-Shelley, Annemarie Van Zeijl-Rozema & Pim Martens (2020) Pathways of organisational transformation for sustainability: a university case-study synthesis presenting competencies for systemic change & rubrics of transformation, International Journal of Sustainable Development & World Ecology.

Our sustainability challenges: climate change, health, and animal well-being

The lecture by Prof. Pim Martens, given Monday June 15th

Our dominant current socio-economic and political systems have become decoupled from the larger ecology of life, and our relationship with our natural environment and the animals within has changed dramatically. This has led to various outbreaks of vector-borne and zoonotic diseases – with COVID-19 as the hard lesson learned (or not?). In this lecture, Pim Martens, Professor of Sustainable Development at Maastricht University, will discuss the complexities and connections between our own well-being and that of the animals with whom we live, and global environmental changes like climate change and biodiversity loss.

Circulaire, groene- of blauwe economie? Nee, duurzaamheid sukkel!

Het rapport van de Universiteit van New South Wales (UNSW) in Australië, deze week gepubliceerd in Nature Communications, kopt ‘Wetenschappers waarschuwen voor Overvloed’.  Ze analyseerden eerdere wetenschappelijke studies die de relatie bekeken tussen rijkdom, economie en de impact daarvan op verschillende maatschappelijke fenomenen. Hun conclusie is duidelijk: technologie zal ons een heel eind op weg helpen, maar enkel als we bereid zijn om onze huidige levensstijl en economische systeem verregaand te veranderen.

Het is duidelijke dat de oude manier van economisch denken zijn langste tijd heeft gehad. De grijze economie, gebaseerd op de theorieën van onder andere Milton Friedman met een sterk geloof in de efficiëntie van de private sector en het marktmechanisme, ligt mede ten grondslag aan wereldwijde milieuproblemen als biodiversiteitsverlies en klimaatveranderng. 

Een van de huidige veel genoemde oplossingen is die van een transitie naar een groene economie. De kern van een nieuwe, groene economie is het schoon en veilig produceren en consumeren van goederen, materialen en energie. Een groene economie is circulair, wat betekent dat afval de grondstof vormt voor nieuwe producten. Een groene economie is ‘biobased’, wat wil zeggen dat we geen aardolie meer gebruiken, maar groene grondstoffen op basis van planten en restproducten. Een groene economie is echter een illusie. Als we efficiënter produceren, maar er tegelijkertijd twee keer zoveel van produceren omdat het groei-dogma nog steeds overheerst, is het uiteindelijke plaatje altijd minder duurzaam dan daarvoor. De groene, circulaire economie heeft nu ook nog andere ernstige tekortkomingen: we vragen consumenten om meer te betalen voor in het algemeen minder kwaliteit, en we vragen geldschieters om meer te investeren voor minder rendement – en hopen dat dit in de toekomst verandert. Daarnaast zijn veel van de met dollar of euro tekens in de ogen geïnvesteerde bedragen in duurzame aandelen ook grotendeels verdamp.

Een blauwe economie dan, zoals voorgesteld door Gunter Pauli? Pauli ontwikkelde vanaf eind jaren 90 het idee van een blauwe economie. Geïnspireerd op ecosystemen creëert de blauwe economie door cyclische productie – daar hebben we het weer – uit ‘afval’ voedsel, inkomen en banen. Vergelijkbaar met het ‘cradle-2-cradle’ denken dus.

De kern van zowel de groene- en blauwe economie is dat duurzaamheidsproblemen met innovatieve, technologische verbeteringen kunnen worden opgelost, zonder dat we onze levensstijl drastisch hoeven aan te passen. Er wordt vooral naar oplossingen gezocht in met name de techniek, en niet in bijvoorbeeld de maatschappelijke of culturele hoek, en de associatie met groei, geld verdienen, en een voortzetting van ons consumptie gedrag is duidelijk aanwezig. Ook blijven de gevolgen van groene- of blauwe economische systemen voor transport (demontage en hergebruik van producten leiden tot meer vervoer) en energiegebruik (recycling kost veel energie) daarbij doorgaans onderbelicht.

Dat een groene of blauwe economie leidt tot duurzame uitkomsten staat dus allerminst vast. Hoe afvalstromen zo kunnen worden geleid dat ze precies in de juiste hoeveelheid, op het juiste moment en op de juiste plaats als ‘voedsel’ voor andere processen kunnen dienen, met een gering beroep op transport en energie, is een open vraag. Hetzelfde geldt voor de vraag hoe de bijna inherente groei van de technosfeer kan worden beperkt.

Duidelijk is dat denken in welke economische kleur niet werkt. We moeten af van het denkbeeld dat ‘winst’ automatisch ‘meer geld’ betekent, en dat ‘groei’ alleen ‘economisch’ kan zijn. We moeten beseffen dat we mens en milieu boven winst en kapitaal moeten stellen. Beter zou zijn het gehele economische denken te vervangen door een denkwijze dat de complexiteit van onze huidige maatschappelijke en milieuvraagstukken onder ogen durft te zien. Duurzame ontwikkeling dus.

Compared to climate change, the impact of covid-19 will look like peanuts

We’ve been warning about this for decades

COVID-19, the third outbreak of coronavirus in 20 years, wasn’t exactly unpredictable. Professor Pim Martens, who tries to integrate scientific knowledge and animal advocacy, talks about how zoonoses, infectious diseases that jump from animals to humans, foreground the complex interconnectedness of our wellbeing and our treatment of animals.

“It was strange – I had no idea. And even when the first reports emerged, I was quite sure they would contain it within the province….” Professor of Sustainable Development Pim Martens has been to China at the end of last year at the invitation of Bingtao Su, his former PhD student at Maastricht University. As a visiting professor, he spent two weeks lecturing at Shandong University and the Chinese Academy of Science.

Under his guidance, Su had studied the Chinese perspective on animal welfare, as compared to the Netherlands and Japan. They used questionnaires to collect data about how factors such as age, gender, or religion relate to attitudes towards animals. He is now also supervising PhD and MSc students conducting similar research in Indonesia and Spain.

Chinese attitudes towards animals

“Sustainability is underrepresented in Chinese Academics, but they are keen to bring in expertise, especially integrated perspectives on interdisciplinary sustainability science.” Sustainable human-animal relationship is a somewhat delicate topic in China: apart from the vast amounts of money at stake, there is also still a belief in the medicinal powers of rare animals’ organs as well as a cultural reluctance towards open criticism.

“China is a huge and very diverse country, so it’s difficult to generalise – that’s also what we’ve found in the study. It is true that they eat a much bigger variety of animals than we do – although you could also say it’s surprising how few animals we in Western Europe eat…” In any case, many suspect that wet markets, on which many different species of animal are kept in close proximity, is where COVID-19 has originated.

Meat, milk and raw materials

More and more animals are kept closely together in unsanitary or overly hygienic (antibiotics, etc.) conditions to satisfy the rising demand for animal protein of densely populated megacities. The need for space and raw materials perpetuates the encroachment on animal habitats like rainforests, which, in turn, brings more humans in contact with more exotic animal species. Add to that frequent international travel – both human and animal – and it’s excellent conditions for zoonosis.

Diseases moving from animals to humans isn’t entirely preventable of course. “It’s a question of probabilities – if we were all vegan animal rights activists, there could still be a zoonotic pandemic but it would be infinitely less likely.” And this was no perfect storm either. “Academics have been warning for decades that this will happen – it was always a question of when, not if.” We’ve had several zoonotic epidemics – several of them corona in fact – in recent decades.

Zoonosis closer to home

According to Martens, a Western European source of zoonotic disease isn’t unthinkable either. The Netherlands, for example, is a densely populated country with a lot of intensively farmed livestock: more than a 1.5 million animals are slaughtered per day, after having spent their lives at very close quarters indeed. The population is very mobile within the country and Schiphol is one of the busiest airports in Europe.

Martens cites the 2007 outbreak of Q Fever, a rather uncommon but devastating disease that can spread from livestock to humans. Dutch authorities were struggling to contain or monitor the spread and the original tally of 25 victims is now estimated to be closer to a hundred. The spread of the disease was eventually contained through a mass cull (of goats and sheep, that is) and by introducing a vaccine for animals.

Greater respect for nature

“The solution is greater respect for nature: moving away from industrial livestock farming, deforestation, wet markets, etc. This would also help address climate change, the impact of which will make this look like peanuts.” Martens’ own contribution to science – together with many international scientists – is studying the complexity and interactions between humans, animals and nature by, among other things, developing mathematical models to simulate the spread of zoonoses. But he also hopes to do his part in bringing about a change of attitude.

He was certainly heartened by how many students attended his lectures in China and how interested and knowledgeable they were. “You can tell that there is a cultural shift especially among young, educated people in urban areas.” Together with Su, he now wants to repeat the original study to see whether the COVID-19 outbreak has changed attitudes towards animal welfare in China.

Surely, it must have changed? Given the public and political discourse, Martens has his doubts. “Of course, economic recovery is very important, but I really hope we won’t rush back to business as usual without fixing the underlying problem.” He adds with a sigh: “If we haven’t learnt anything from this pandemic, then maybe we will from the next one…”

By: Florian Raith. See original post on UMnieuws.

Vergeleken met klimaatverandering is covid-19 een lachertje

Cartoon van Raf Schoenmaekers.

“We hebben hier al tientallen jaren voor gewaarschuwd”

Covid-19, de derde uitbraak van een coronavirus in 20 jaar, was niet bepaald onvoorspelbaar. Hoogleraar Pim Martens, die wetenschappelijke kennis en dierenrechtenactivisme probeert te combineren, legt uit hoe zoönosen, besmettelijke ziektes die van dieren op mensen kunnen overspringen, de complexe onderlinge samenhang aan het licht brengen tussen ons welzijn en hoe we met dieren omgaan.

“Het was vreemd – ik had geen idee. Zelfs toen de eerste rapporten verschenen, was ik er vrij zeker van dat ze het beperkt zouden weten te houden tot de provincie…” Hoogleraar Sustainable Development Pim Martens was eind vorig jaar in China op uitnodiging van Bingtao Su, zijn voormalige PhD-student bij de Universiteit Maastricht. Als gastdocent gaf hij twee weken lang colleges aan de Shandong Universiteit en de Chinese Academie van Wetenschappen.

Onder zijn leiding had Su de Chinese visie op dierenwelzijn bestudeerd, in vergelijking met Nederland en Japan. Door middel van enquêtes hadden ze data verzameld over factoren als leeftijd, geslacht en religie in relatie tot de opvattingen over dieren. Hij begeleidt nu ook PhD- en MSc-studenten die soortgelijk onderzoek doen in Indonesië en Spanje.

Chinese opvattingen over dieren

“Duurzaamheid is ondervertegenwoordigd in de Chinese wetenschap, maar ze halen graag expertise in huis, vooral geïntegreerde visies op interdisciplinaire duurzaamheidswetenschap.” Duurzame relaties tussen dieren en mensen liggen in China enigszins gevoelig: behalve dat het om enorme bedragen gaat, bestaat het geloof in de medicinale krachten van de organen van zeldzame dieren nog altijd, en ligt terughoudendheid met betrekking tot openlijke kritiek in de cultuur besloten.

“China is een gigantisch en zeer divers land, dus het is moeilijk om te generaliseren – dat is ook iets dat uit het onderzoek naar voren kwam. Het klopt dat ze veel meer verschillende dieren eten dan wij, hoewel je ook kunt beweren hoe verrassend weinig dieren we in West-Europa eten…” Hoe het ook zij, velen vermoeden dat de wet markets, waar veel verschillende soorten dieren dicht bij elkaar gehouden worden, de oorsprong zijn van covid-19.

Vlees, melk en grondstoffen

Steeds meer dieren zitten dicht op elkaar gepakt in onhygiënische of juist uiterst hygiënische (antibiotica, enz.) omstandigheden, om tegemoet te komen aan de stijgende vraag naar dierlijke proteïnen in de dichtbevolkte steden. Vanwege de behoefte aan ruimte en grondstoffen worden de woongebieden van dieren, zoals regenwouden, steeds verder aangetast, wat omgekeerd tot effect heeft dat meer mensen in contact komen met meer exotische diersoorten. Tel daar het intensieve internationale reizen – van zowel mens als dier – bij op en voilà: prima omstandigheden voor zoönose.

Het overspringen van ziektes van dieren op mensen is natuurlijk niet helemaal te voorkomen. “Het gaat om waarschijnlijkheid. Als we allemaal veganistische dierenrechtenactivisten zouden zijn, zou er zich nog steeds een zoönotische pandemie kunnen voordoen, maar de kans daarop zou oneindig veel kleiner zijn.” Covid-19 kwam ook niet uit de lucht vallen. “Wetenschappers zitten al tientallen jaren te wachten tot dit gebeurt – het was altijd een kwestie van wanneer, niet van of.” In de afgelopen 20 jaar zijn er verschillende zoönotische epidemieën geweest; bij enkele daarvan ging het om corona.

Zoönose dichter bij huis

Volgens Martens is een West-Europese bron van een zoönotische ziekte ook niet ondenkbaar. Neem bijvoorbeeld Nederland, een dichtbevolkt land met een intensieve veesector met grote aantallen dieren: iedere dag worden er meer dan 1,5 miljoen dieren geslacht, nadat ze een leven lang op elkaars lip hebben gezeten. De bevolking is binnen de landsgrenzen zeer mobiel en Schiphol is een van de drukste luchthavens van Europa.

Martens brengt de uitbraak van de Q-koorts in 2007 in herinnering, een tamelijk zeldzame maar verwoestende ziekte, die van vee kan overgaan op mensen. De Nederlandse autoriteiten hadden moeite met het tegengaan en het monitoren van de ziekte. Het aantal slachtoffers, dat oorspronkelijk op 25 lag, wordt inmiddels geschat op tegen de 100. De verspreiding van Q-koorts werd uiteindelijk beperkt door massale ruiming (voor de duidelijkheid: van geiten en schapen) en door de ontwikkeling van een vaccin voor dieren.

Meer respect voor de natuur

“De oplossing ligt in meer respect voor de natuur: stoppen met de veehouderij op industriële schaal, ontbossing, wet markets, enzovoorts. Dat zou ook de aanpak van de klimaatverandering ten goede komen – vergeleken bij de gevolgen daarvan is covid-19 een lachertje.” Martens’ eigen bijdrage aan de wetenschap – samen met vele andere internationale wetenschappers – is het bestuderen van de complexe interacties tussen mensen, dieren en de natuur, onder andere door het ontwikkelen van wiskundige methodes om de verspreiding van zoönosen te simuleren. Maar hij hoopt ook dat hij zijn steentje kan bijdragen aan mentaliteitsverandering.

Het deed hem zeker goed om te zien hoeveel studenten zijn colleges in China bijwoonden en hoe geïnteresseerd en goed geïnformeerd ze zijn. “Je kunt zien dat er een culturele verandering gaan is onder jonge, goed opgeleide mensen in stedelijke gebieden.” Samen met Su wil hij nu het originele onderzoek herhalen om uit te zoeken of de uitbraak van covid-19 de opvattingen over dierenwelzijn in China zijn veranderd.

Dat moet toch haast wel? Martens heeft zijn twijfels, gelet op het publieke en politieke discours. “Natuurlijk, economisch herstel is heel belangrijk, maar ik hoop echt dat we niet in no time terugvallen in de oude patronen, zonder het onderliggende probleem gefikst te hebben.” Met een zucht voegt hij eraan toe: “Als we niks geleerd hebben van deze pandemie, dan misschien van de volgende…”

Door: Florian Raith. Zie origineel bericht op UMnieuws.

Beestenboel en Bessensap

Beestenboel

In het Maastricht’s Academisch Ziekenhuis MUMC+ wordt in samenwerking met de kinderboerderij De Heeg, een programma uitgevoerd (project Beestenboel) waarin verschillende dieren onder supervisie in een speciale ruimte door kinderen uit het ziekenhuis kunnen worden bezocht en geknuffeld.

Het is een plezierige en ontspannende ontmoeting voor de kinderen en de kinderen en hun ouders genieten daar erg van. Het programma, dat uitgevoerd wordt door professionals en vrijwilligers, biedt uitstekende mogelijkheden om te onderzoeken welke effecten het bezoek van de dieren oplevert voor de kinderen volgens ouders, artsen en andere betrokkenen. Lees hier ook over ‘Meer pootjes aan het bed’.

Bessensap

In bovenstaand filmpje – een pitch voor NWO’s Bessensap 2020 – vertel ik meer over de manier waarop jonge patiënten op diervriendelijke manieren in aanraking komen met fysieke én virtuele (huis-)dieren. Zo kunnen we onderzoeken of dit een positieve invloed heeft op het welzijn en herstel van zieke kinderen. De verdere realisatie van deze ‘beestachtige’ beleefruimte is ook onderdeel van een Crowdfunding campagne van het Universiteitsfonds Limburg/SWOL. Alhoewel – door de corona crisis – dit project even gepauzeerd is, beginnen we weer zo snel als het kan. De realisatie van deze ‘beestachtige’ beleefruimte is alleen mogelijk met uw steun. Doet u mee? 

Pro-environmental consumer behaviour : the need for an interdisciplinary approach

In the last few years a steady increase in studies on consumer behaviour, in relation to sustainable development, demonstrates the need to expand the economic and social analysis of consumer activities towards a more interdisciplinary approach. In some cases like environmental engineering, we observe great progress, but note with regret that the predominant focus is still on the consumer purchase phase.  Similarly, economic studies tend to consider the individual as a rational actor maximising his/her profit or interest. In general, the analysis of human behaviour is influenced and biased by the different sectorial perspective adopted by the scholar. A correct analysis of the impact of all human consumptive activities on the environment requires an interdisciplinary approach involving many fields like engineering, chemistry, ecology, economics, marketing, law, business management, sociology, and psychology.

Read more in: Concari, A., Kok, G., Martens, P. (2020). A Systematic Literature Review of Concepts and Factors Related to Pro-Environmental Consumer Behaviour in Relation to Waste Management through an Interdisciplinary Approach. Sustainability12, 4452.