Category Archives: Wetenschap

DiCaprio heeft meer bereikt dan klimaatwetenschappers

Symposium over activisme in de wetenschap

Tekst door Maurice Timmerman, gepubliceerd in de Observant

Kun je als wetenschapper tegelijk een activist zijn? Komt je onafhankelijkheid dan niet in het geding? En wat als je met je wetenschappelijke bevindingen andere activisten tegen de haren in strijkt en je inbox volstroomt met haatmails?

Het zijn vragen die afgelopen dinsdag aan bod kwamen tijdens een online UM-symposium, op touw gezet door het Platform voor Onderzoeksethiek en Integriteit en het Platform for Community-Engaged Research. 

Recordings of a livestream discussion about the tension between activism and academic research.

Een van de drie panelleden, onderzoeker Astrid Offermans, vindt dat academici bij hun leest moeten blijven. “We moeten betrouwbare kennis leveren, waarbij we ons onafhankelijk opstellen en open staan voor andere perspectieven. Dat doen activisten niet. Het gevaar is dat activistische wetenschappers aandacht belangrijker vinden dan methodologische zuiverheid, dat ze willen overtuigen in plaats van analyseren, een sexy verhaal voor het voetlicht brengen in plaats van de eerlijke, saaie waarheid.

Jane Goodall

De andere twee panelleden zijn het daar niet mee eens. Pim Martens, hoogleraar duurzame ontwikkeling, noemt zichzelf een ‘scientivist’. “Dat is een publieke intellectueel, denk aan Einstein, die het als een morele verplichting ziet om zich als burger in te zetten voor een betere wereld. Of Jane Goodall die haar leven lang chimpansees bestudeerde en het later opnam voor deze dieren, die benadrukte dat ze net als mensen een emotioneel leven hebben, met waardevolle relaties.”

Wetenschappers twijfelen voortdurend, doet Martens dat ook als activist, vraagt spreekstalmeester Teun Dekker, hoogleraar filosofie aan het University College. 

Zeker, zegt de duurzaamheidsprof. “Ik vraag me weleens af of ik met een mars moet meelopen, of ik blogs over een onderwerp moet publiceren. De grens tussen wetenschap en activisme is soms delicaat.

Farmaceut

Het derde panellid, Maurice Zeegers, hoogleraar epidemiologie, schaart zich achter Martens. “Ik zou haast willen zeggen: alle activisten zouden wetenschappers moeten zijn. Zoeken naar waarheid, zoals Offermans dat benadrukte, gaat goed samen met engagement, maar ook met onderzoek voor het bedrijfsleven. Ik werk op dit moment samen met een advocatenkantoor dat een zaak aanspant tegen een farmaceut.”

Dekker: “Hoe leg je uit dat je wel hun geld accepteert, maar niet per se zegt wat ze willen horen?”

Zeegers: “De bedrijven waar ik voor werk, willen juist die wetenschappelijke conclusie horen, ook als het ze niet uitkomt. Die integriteit is wat wetenschap waardevol maakt.

Gestalkt

Wat als je als ‘scientivist’ te maken krijgt met groepen die je wetenschappelijke conclusies van tafel vegen, vraagt iemand uit de ‘zaal’? “De nachtmerrie van elke wetenschapper”, zegt Dekker , “dat je tienduizend e-mails op je dak krijgt, die niet allemaal even prettig zijn.”

Toch deelt ook Zeegers zijn resultaten op sociale media. “Het is belangrijk om met je poten in de modder te staan, om te begrijpen wat er speelt in de samenleving. En ja, bevindingen die mensen tegen de haren in strijken, moet je ook plaatsen. Als ze maar wetenschappelijk aan de eisen voldoen.”

Martens: “Je hebt niet alles in de hand. Soms verstuur je een tweet, net iets te snel, en dan blijkt dat die een eigen leven gaat leiden. Maar goed, als je werk je passie is, dan wil je dat ook op sociale media delen. Niemand wordt graag gestalkt, maar dat is niet alleen een angst van wetenschappers, maar ook van politici. Het voordeel is dat je als wetenschapper een betrouwbare bijdrage kunt leveren aan discussies.”

Als epidemioloog krijgt Zeegers in deze tijden van corona vaak vragen over vaccinaties. “Je ziet dat de samenleving steeds meer gebruik maakt van wetenschap. En de studies die in de media passeren, kan ik in perspectief plaatsen. Ik vind dat mijn plicht.”

Vele waarheden

Nieuwe vraag uit de zaal, aldus Dekker. “We hebben de mond vol van objectiviteit, waarheid, onafhankelijkheid. Waarom geven we niet gewoon toe dat dit niet bestaat? Is het in stand houden van de pretentie niet gevaarlijker dan toegeven?”

Offermans: “Ik snap wat hier wordt bedoeld, maar ik denk dat de wetenschappelijke zuiverheid en analyse het verschil maken. Zijn er één of vele waarheden, over die vraag kun je lang debatteren, maar zolang je de werkelijkheid academisch benadert is het prima.”

Zeegers: “Objectiviteit bestaat inderdaad niet, iedereen is bevooroordeeld, dat denk ik ook. Maar dat betekent niet dat we niet meer op onze wetenschappelijke methoden kunnen vertrouwen.”

Wereldvrede

Dat wetenschappers ijveren voor een goede zaak vindt Offermans prima, maar liever niet op hetzelfde terrein waarop ze onderzoek doen. “Ik zou dat scheiden.”

Dat lukt niet altijd, zegt Martens. “In een interview word je toch vaak op beide rollen aangesproken. Maar waarom zou je je intellectuele kracht niet gebruiken als activist? Ieder zijn eigen expertise, en als dat gezag oplevert, waarom niet?”

Einstein is daar een goed voorbeeld van, zegt Dekker. “Een groot natuurkundige, maar wat wist hij nou van de wereldvrede, waar hij zich zo voor inzette?”

Martens: “Wat weet Leonardo DiCaprio van klimaatverandering? Maar toen hij daar een paar jaar geleden een speech over gaf, gebeurde er iets. Hij heeft in ieder geval meer bereikt dan ik en mijn collega’s met al onze vakartikelen. Want de klimaatboodschap, die nu gemeengoed is, probeerden wij dertig jaar geleden al aan de man te brengen. Niemand luisterde toen, heel frustrerend.”

Eerlijk

Volgende vraag: hoe belangrijk is objectiviteit en onafhankelijkheid als ondertussen de planeet in brand staat?

“Het illustreert hoe impopulair mijn stellingname is”, zegt Offermans. “Maar er zijn alternatieven. Je kunt je ook opstellen als een eerlijke beurshandelaar, en alle opties en scenario’s laten zien vanuit wetenschappelijk perspectief. Daar hebben beleidsmakers veel baat bij.” 

Maar hoe houd je jezelf op het eerlijke pad, vraagt Dekker.

Martens: “Mijn ervaring is dat zo goed als alle onderzoekers eerlijk zijn.”

Dekker: “Uit een enquête bleek onlangs dat 52 procent van de onderzoekers toegeeft niet altijd volledig integer te zijn. Hoe kan een universiteit eerlijkheid stimuleren?” 

Zeegers: “Dan moet je ook naar de cultuur kijken, en daarbij spelen bijvoorbeeld zaken als werkdruk een rol. Maar buitengewoon belangrijk is dat je als onderzoeker een goede mentor bent en het goede voorbeeld geeft aan je promovendi. Er zijn trouwens ook survey’s waaruit blijkt dat 98 procent van de wetenschappers integer is. Onderzoekers zijn, denk ik, goede mensen.”

Dekker: “Maar wel mensen. Die soms struikelen.”

KNAW commissie Planetary Health

Vereerd lid te zijn van de KNAW commissie Planetary Health die gaat inventariseren welke wetenschappelijke kennis er nodig is op het gebied van planetary health en welke prioriteiten voor kennisontwikkeling er liggen voor Nederland.

Planetary health is de interdisciplinaire benadering van het verband tussen de gezondheid en welzijn van mens en dier en de ‘gezondheid’ van de aarde. Het gaat daarbij om klimaatverandering en verlies van biodiversiteit maar bijvoorbeeld ook om grootschalige milieuvervuiling, ontbossing, erosie en andere door de mens veroorzaakte veranderingen die gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Die risico’s zijn onder meer infectieziekten, problemen met voedsel- en drinkwatervoorziening, migratie en conflict en mentale gezondheid.

Voor meer informatie zie KNAW website

English

Honored to be a member of the KNAW (The Royal Netherlands Academy of Arts and Sciences) Planetary Health committee, which will inventorize the scientific knowledge needed in the field of planetary health and the priorities for knowledge development for the Netherlands.

Planetary health is the interdisciplinary approach to the link between the health and well-being of human and non-human animals and the ‘health’ of the earth. This concerns climate change and loss of biodiversity, but also, for example, large-scale environmental pollution, deforestation, erosion and other man-made changes that entail health risks. Those risks include infectious diseases, problems with food and drinking water supplies, migration and conflict, and mental health.

For more information see KNAW website

Mens-dierrelatie, zoönosen en de recente COVID-19 pandemie

Onze gezondheid is afhankelijk van biodiversiteit. Wij zijn afhankelijk van ecosystemen en de diensten die deze ecosystemen aan ons geven. Gezondheid van dieren, mensen en planten hangt met elkaar samen. Het één kun je niet los zien van het andere. Duurzaamheid en dieren hebben alles met elkaar te maken.

Bekijk hier het interview wat ik onlangs had met de Nicolaas G. Pierson Foundation over mens-dierrelatie, zoönosen en de COVID-19 pandemie.

Nieuw centrum wil dieren serieus nemen

In de natuurwetenschappen worden dieren als objecten bestudeerd, en in de sociale- en de geesteswetenschappen staat de mens centraal. Het nieuwe Centrum voor DierMens Studies wil in de wetenschap meer aandacht voor de relatie tussen beide, waarbij ook dieren als actieve, sociale en intelligente individuen worden beschouwd.

Mede-oprichter en voorzitter Maarten Reesink (wetenschapper DierMens Studies):

“In de wetenschap worden dieren bijna alleen gezien al interessant onderwerp voor de biologie, en verder meestal als objecten gezien of gebruikt. Terwijl in onze mensenmaatschappij dieren juist overal aanwezig zijn: als huisgenoten, werkdieren en als voedsel, in films, op tv en in onze populaire cultuur, in dierentuinen en in het wild. In DierMens Studies staan al die vormen van contact tussen mens en dier centraal. Waarbij dieren niet worden gezien als gebruiksvoorwerpen of decorstukken in onze mensenmaatschappij, maar als gelijkwaardige medebewoners van deze wereld.”

In januari 2021 is het Centrum voor DierMens Studies opgericht door onderzoekers en studenten van de Universiteit van Amsterdam. Door het interdisciplinaire vakgebied DierMens Studies te promoten wil het Centrum een brug slaan tussen natuurwetenschappen en sociale- en geesteswetenschappen. Het Centrum is een platform voor wetenschappers en studenten aan alle Nederlandse universiteiten die zich bezighouden met de vele relaties tussen mens en dier. Iedereen die is geïnteresseerd in onze band met (andere) dieren kan er terecht voor informatie, wetenschappelijke publicaties en onderwijsaanbod.

Op deze manier vraagt het Centrum academische aandacht voor de plaats van dieren in de maatschappij, en biedt het een netwerk voor de groei van het internationale vakgebied (Human) Animal Studies in Nederland. Het centrum wil de groei van dit vakgebied in Nederland verder stimuleren en een brug slaan tussen universiteiten, onderzoekers, studenten en een breed publiek met een interesse in de relaties tussen mens en dier.

Naast het delen van kennis en het bieden van een platform en een netwerk, gaat het Centrum evenementen en netwerkbijeenkomsten organiseren.

Het Centrum voor DierMens Studies is opgericht door (oud-) UvA-studenten Caatje Kluskens en Fien Lindelauff in samenwerking met UvA-docent Human-Animal Studies Maarten Reesink en professors Leonie Cornips en Pim Martens van de Universiteit van Maastricht.

Meer informatie: https://www.diermensstudies.nl/

Wat moeten dierentuinen doen om te overleven?

Interview en uitzending door EenVandaag:

Uitzending EenVandaag 24-7-2020

Het is een nachtmerriescenario, maar het kan zomaar gebeuren: dierentuinen die door de coronacrisis moeten sluiten. Want 27 van de ruim 30 dierentuinen in Nederland hebben het financieel erg zwaar, zegt de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen.

Mocht het misgaan, dan heeft dat gevolgen voor een groot aantal dieren. “In totaal hebben we het over zo’n 1000 diersoorten en 100.000 dieren in Nederlandse dierentuinen”, zegt Lisette de Ruigh van de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD). En daarom hebben ze bij het ministerie van Landbouw aangeklopt voor een noodpakket van 110 miljoen euro. Want door de lockdown en de bijhorende maatregelen leiden de dierentuinen een gezamenlijk verlies van 150 miljoen euro.

De noodklok luiden

Zware tijden voor Diergaarde Blijdorp. Financieel gaat het door corona erg slecht. Het Rotterdamse park is niet alleen: bijna alle dierentuinen in ons land staan op omvallen. Directeur Erik Zevenbergen doet wat hij kan, maar weet niet of het genoeg is.

Zoo Veldhoven luidde de noodklok al eerder. “Als dierenpark ben je afhankelijk van het hoogseizoen”, vertelt eigenaar Richard Loomans. “Juist dan moet je namelijk je inkomsten halen voor de rest van het jaar.” Het besluit van de overheid om dierenparken te sluiten kwam dan ook als een donderslag bij heldere hemel. “Het is makkelijk gezegd, maar al onze rekeningen moeten in die weken wel betaald worden.”

Invloed van corona

De dierentuinen die de impact van corona het snelst merken, zijn de dierentuinen zonder winstoogmerk, oftewel de stichtingen. “Elke euro die wordt verdiend wordt weer terug in het park gestopt”, vertelt Lisette de Ruigh. Deze parken hebben nauwelijks reserves, denk bijvoorbeeld aan Diergaarde Blijdorp in Rotterdam.

En Blijdorp is niet de enige. Ook Apenheul, Wildlands Zoo en Ouwehands dierenpark vertelden dit jaar ook te maken te hebben met een miljoenenverlies en maken zich daarom grote zorgen over de toekomst van hun park. Een woordvoerder van Apenheul vertelt dat zij maar maar 60 procent van de normale omzet draaien. “Dat is een verlies van 3 tot 4 miljoen dit jaar.”

Meer dan een dagje uit

Sinds Richard Loomans de papegaaienopvang in Veldhoven zeven jaar geleden overnam na een faillissement heeft hij er veel tijd en geld gestopt. Hij wist toen nog niet dat hij jaren later wéér in een crisissituatie terecht zou komen. “We hebben nieuwe volières gebouwd, maar ook andere dieren verwelkomt en van de papegaaienopvang een volwaardige zoo gemaakt.”

Pim Martens, hoogleraar duurzame mens-dierrelaties, kan goed begrijpen dat veel parken zich gaan heroriënteren. “Al helemaal na zo’n crisis”, zegt hij hierover. Naast een leuk dagje uit hebben ze bijvoorbeeld ook een voorlichtingsfunctie, zorgen ze voor educatie, streven ze naar behoud van diersoorten en doen ze wetenschappelijk onderzoek. “Maar sommige dierentuinen hebben ook een commerciële insteek. Dat kan wel eens op gespannen voet staan.”

Te veel amusement

“Het businessmodel van een dierentuin is vandaag de dag ontzettend moeilijk,” vertelt Martens. “Er moet een adventure- of dinopark bij om winstgevend te zijn en te kunnen rondkomen. Daardoor wordt een dierentuin te veel amusement, dat zou niet het hoofddoel moeten zijn.”

Volgens Lisette de Ruigh is dat hoofddoel nog altijd mensen bewust maken, inspireren en stimuleren om zorgen voor de natuur te hebben. In dierentuinen word je namelijk ondergedompeld in de natuur. “Mensen kunnen zich bewust worden van hun eigen rol in deze wereld. Wij dragen gewoon bij aan het behoud van natuur.”

Spagaat

Een dierentuin belandt daardoor al gauw in een soort spagaat. Dieren in een klein hokje zorgen er wél voor dat er onderzoek gedaan kan worden en zo dieren in het wild te kunnen helpen. Een zo goed mogelijke situatie voor het dier met zoveel mogelijk ruimte is vaak het doel. “Maar geef je ze te veel ruimte, dan ziet de bezoeker geen enkel dier meer,” merkt Martens op. “Terwijl je juist zoveel mogelijk bezoekers wil trekken, om die inkomsten vervolgens weer aan het dier te kunnen besteden.”

“Je wilt aan voorlichting doen, dat kost geld. Maar je wilt ook de dieren optimaal verzorgen”, zegt Martens. “Al die spanningen zijn er in elke dierentuin.”

Weinig compensatie

“Van de overheid krijgen we weinig compensatie”, zegt Loomans van Zoo Veldhoven. “Eenmalig 4000 euro voor een heel park. Als kleine zelfstandige, kan je daar wel 2 maanden van vooruit. Maar met een dierentuin en 25 man personeel, kunnen we onze dieren net een week voeren.”

In Nederland zijn 65 dierentuinvergunningen. Naast instellingen die dieren opvangen zoals Stichting Aap, zijn er ongeveer 30 échte dierenparken. “70 procent hiervan heeft echt flinke verliezen geleden”, laat de NVD weten. “Zonder overheidshulp gaan we het gewoon niet redden.”

Kantoorpersoneel knipt de kaartjes

De grote dierentuinen zijn 365 dagen per jaar open. “Maar vanaf april nemen ze personeel in dienst en begint het seizoen écht. Nu moesten de dierentuinen half maart dicht, terwijl de contracten met het personeel al waren afgesloten. De helft van de mensen was ineens niet meer nodig.”

“Omdat het eerste steunpakket van de overheid is gebaseerd op de maand maart, de maand waarin je nog minder mensen in dienst hebt, ontvang je uiteindelijk ook minder dan je eigenlijk nodig hebt.” Om zoveel mogelijk personeelskosten te besparen wordt in Blijdorp nu kantoorpersoneel ingezet om kaartjes te knippen.

Seizoensgebonden bedrijven

Voor een tweede steunpakket is als basis de gemiddelde omzet over 2019 genomen, vertelt De Ruigh. Oftewel de zomer- en wintermaanden verdelen over 12 maanden.

Het tweede steunpakket geldt voor de maanden juni, juli en augustus, de topmaanden, die zelfs met een dagbezetting van maximaal 40 procent van de capaciteit, een hogere maandomzet geven dan de gemiddelde omzet per maand in 2019. Hierdoor krijgen seizoensgebonden bedrijven, zoals dierentuinen bijna geen subsidie.

Gevolgen

Waar de bezoekersaantallen laag blijven, gaat de zorg voor de dieren wel door. Voor de dieren is het een ramp dat dierenparken in zwaar weer zitten. “Als dit echt lang blijft duren, ben ik bang dat de kosten gepaard gaan met het verzorgen van de dieren”, vertelt Martens. Ook Loomans van Zoo Veldhoven maakt zich zorgen. “Als de papegaaien moeten worden losgelaten hebben ze geen enkele kans om te overleven.”

In het najaar wordt duidelijk welk welke parken het eerst de nasleep van het virus gaan merken. De ministeries van Landbouw en Economische Zaken zijn op de hoogte van de situatie bij Nederlandse dierentuinen. Afgesproken is dat er op korte termijn een gesprek is met de dierentuinen, waarbij alle hierbij betrokken partijen worden uitgenodigd. De schade van de crisis blijft volgens De Ruigh nog een langere tijd zichtbaar. “Het gaat nog jaren duren om hiervan te herstellen.”

arbij alle hierbij betrokken partijen worden uitgenodigd. De schade van de crisis blijft volgens De Ruigh nog een langere tijd zichtbaar. “Het gaat nog jaren duren om hiervan te herstellen.”

Circulaire, groene- of blauwe economie? Nee, duurzaamheid sukkel!

Het rapport van de Universiteit van New South Wales (UNSW) in Australië, deze week gepubliceerd in Nature Communications, kopt ‘Wetenschappers waarschuwen voor Overvloed’.  Ze analyseerden eerdere wetenschappelijke studies die de relatie bekeken tussen rijkdom, economie en de impact daarvan op verschillende maatschappelijke fenomenen. Hun conclusie is duidelijk: technologie zal ons een heel eind op weg helpen, maar enkel als we bereid zijn om onze huidige levensstijl en economische systeem verregaand te veranderen.

Het is duidelijke dat de oude manier van economisch denken zijn langste tijd heeft gehad. De grijze economie, gebaseerd op de theorieën van onder andere Milton Friedman met een sterk geloof in de efficiëntie van de private sector en het marktmechanisme, ligt mede ten grondslag aan wereldwijde milieuproblemen als biodiversiteitsverlies en klimaatveranderng. 

Een van de huidige veel genoemde oplossingen is die van een transitie naar een groene economie. De kern van een nieuwe, groene economie is het schoon en veilig produceren en consumeren van goederen, materialen en energie. Een groene economie is circulair, wat betekent dat afval de grondstof vormt voor nieuwe producten. Een groene economie is ‘biobased’, wat wil zeggen dat we geen aardolie meer gebruiken, maar groene grondstoffen op basis van planten en restproducten. Een groene economie is echter een illusie. Als we efficiënter produceren, maar er tegelijkertijd twee keer zoveel van produceren omdat het groei-dogma nog steeds overheerst, is het uiteindelijke plaatje altijd minder duurzaam dan daarvoor. De groene, circulaire economie heeft nu ook nog andere ernstige tekortkomingen: we vragen consumenten om meer te betalen voor in het algemeen minder kwaliteit, en we vragen geldschieters om meer te investeren voor minder rendement – en hopen dat dit in de toekomst verandert. Daarnaast zijn veel van de met dollar of euro tekens in de ogen geïnvesteerde bedragen in duurzame aandelen ook grotendeels verdamp.

Een blauwe economie dan, zoals voorgesteld door Gunter Pauli? Pauli ontwikkelde vanaf eind jaren 90 het idee van een blauwe economie. Geïnspireerd op ecosystemen creëert de blauwe economie door cyclische productie – daar hebben we het weer – uit ‘afval’ voedsel, inkomen en banen. Vergelijkbaar met het ‘cradle-2-cradle’ denken dus.

De kern van zowel de groene- en blauwe economie is dat duurzaamheidsproblemen met innovatieve, technologische verbeteringen kunnen worden opgelost, zonder dat we onze levensstijl drastisch hoeven aan te passen. Er wordt vooral naar oplossingen gezocht in met name de techniek, en niet in bijvoorbeeld de maatschappelijke of culturele hoek, en de associatie met groei, geld verdienen, en een voortzetting van ons consumptie gedrag is duidelijk aanwezig. Ook blijven de gevolgen van groene- of blauwe economische systemen voor transport (demontage en hergebruik van producten leiden tot meer vervoer) en energiegebruik (recycling kost veel energie) daarbij doorgaans onderbelicht.

Dat een groene of blauwe economie leidt tot duurzame uitkomsten staat dus allerminst vast. Hoe afvalstromen zo kunnen worden geleid dat ze precies in de juiste hoeveelheid, op het juiste moment en op de juiste plaats als ‘voedsel’ voor andere processen kunnen dienen, met een gering beroep op transport en energie, is een open vraag. Hetzelfde geldt voor de vraag hoe de bijna inherente groei van de technosfeer kan worden beperkt.

Duidelijk is dat denken in welke economische kleur niet werkt. We moeten af van het denkbeeld dat ‘winst’ automatisch ‘meer geld’ betekent, en dat ‘groei’ alleen ‘economisch’ kan zijn. We moeten beseffen dat we mens en milieu boven winst en kapitaal moeten stellen. Beter zou zijn het gehele economische denken te vervangen door een denkwijze dat de complexiteit van onze huidige maatschappelijke en milieuvraagstukken onder ogen durft te zien. Duurzame ontwikkeling dus.

Beestenboel en Bessensap

Beestenboel

In het Maastricht’s Academisch Ziekenhuis MUMC+ wordt in samenwerking met de kinderboerderij De Heeg, een programma uitgevoerd (project Beestenboel) waarin verschillende dieren onder supervisie in een speciale ruimte door kinderen uit het ziekenhuis kunnen worden bezocht en geknuffeld.

Het is een plezierige en ontspannende ontmoeting voor de kinderen en de kinderen en hun ouders genieten daar erg van. Het programma, dat uitgevoerd wordt door professionals en vrijwilligers, biedt uitstekende mogelijkheden om te onderzoeken welke effecten het bezoek van de dieren oplevert voor de kinderen volgens ouders, artsen en andere betrokkenen. Lees hier ook over ‘Meer pootjes aan het bed’.

Bessensap

In bovenstaand filmpje – een pitch voor NWO’s Bessensap 2020 – vertel ik meer over de manier waarop jonge patiënten op diervriendelijke manieren in aanraking komen met fysieke én virtuele (huis-)dieren. Zo kunnen we onderzoeken of dit een positieve invloed heeft op het welzijn en herstel van zieke kinderen. De verdere realisatie van deze ‘beestachtige’ beleefruimte is ook onderdeel van een Crowdfunding campagne van het Universiteitsfonds Limburg/SWOL. Alhoewel – door de corona crisis – dit project even gepauzeerd is, beginnen we weer zo snel als het kan. De realisatie van deze ‘beestachtige’ beleefruimte is alleen mogelijk met uw steun. Doet u mee? 

Hyperdisease

March 12th, 2020

From a book chapter in 2015, but more relevant than ever with the current coronavirus crisis:

In a globalising world, we see with an increasing demand for meat and animal products an unprecedented transport of these products within and between countries. Unfortunately, the transport of animal meat and fodder entails also the transport of animal- and human diseases. Major epidemic livestock diseases, including e.g. bovine plague, bovine spongiform encephalopathy, foot-and-mouth disease, contagious caprine pleuropneumonia, and rift valley fever, often migrate or spread across borders with the transport of ‘animal proteins’, cause major losses and emergencies, and can pose threats to human health. In the past, such damage has on occasions been catastrophic, leading to famines and sometimes triggering trade restrictions. These transboundary diseases are among the most contagious and place a serious burden on the economies of the countries in which they occur.
The reasons for this increasing risk are complex, but the main contributing factors have been identified as follows :

  1. alteration of the environment affecting the size and distribution of certain animal species, vectors, and transmitters of infectious agents of humans;
  2. increasing human populations favouring an increased level of contact between humans and infected/affected animals
  3.  industrialization of foods of animal origin; changes in food processing and consumer nutritional habits; and,
  4. increasing movements of people as well as trade of animals and animal products and decreasing activities for the surveillance and control of major zoonoses.

As the trade of animal products and the movements of people become more intense, the risks of introduction/reintroduction of certain diseases in a country increase. It is very likely, in view of the foreseeable global changes over the next few decades (e.g., population growth, urbanization, and climatic changes), that this trend will continue and even increase. Human disease patterns will be affected by high densities and movements of human populations within and between countries and changes in lifestyles; animal disease patterns will be affected by changing land-use patterns, new farming practices, displacement of animals, and environmental contamination.

Until now, as described above, the number of fatalities has remained relatively low. However, the question seems to be shifting from ‘Will there be a pandemic’ to ‘When will it occur?’. An even more pertinent question is what a future pandemic will entail. Will the number of victims be limited or will it be an extremely contagious, lethal disease, so grave that it may be deemed a ‘hyperdisease’?

The ‘hyperdisease hypothesis’ was developed by Ross MacPhee and Preston Marx. They assert that extremely contagious and fatal infectious diseases were decisive elements to the extinction of various animal species in regions such as North America. These hyperdiseases are not completely new diseases, but diseases that have ‘jumped’ from one spe-cies to another. Examples from the past underline that (viral) infectious diseases regularly jump from animals to humans. Increasing contact between people and (domesticated) animals, and increasing contacts between people among themselves (due to factors such as growing populations and increased mobility) command us to take these kinds of extreme scenarios seriously.

See here for the full Chapter from the book: Meat, The Future: How Cutting Meat Consumption Can Feed Billions More (2015)