Category Archives: Duurzaamheid

Circulaire, groene- of blauwe economie? Nee, duurzaamheid sukkel!

Het rapport van de Universiteit van New South Wales (UNSW) in Australië, deze week gepubliceerd in Nature Communications, kopt ‘Wetenschappers waarschuwen voor Overvloed’.  Ze analyseerden eerdere wetenschappelijke studies die de relatie bekeken tussen rijkdom, economie en de impact daarvan op verschillende maatschappelijke fenomenen. Hun conclusie is duidelijk: technologie zal ons een heel eind op weg helpen, maar enkel als we bereid zijn om onze huidige levensstijl en economische systeem verregaand te veranderen.

Het is duidelijke dat de oude manier van economisch denken zijn langste tijd heeft gehad. De grijze economie, gebaseerd op de theorieën van onder andere Milton Friedman met een sterk geloof in de efficiëntie van de private sector en het marktmechanisme, ligt mede ten grondslag aan wereldwijde milieuproblemen als biodiversiteitsverlies en klimaatveranderng. 

Een van de huidige veel genoemde oplossingen is die van een transitie naar een groene economie. De kern van een nieuwe, groene economie is het schoon en veilig produceren en consumeren van goederen, materialen en energie. Een groene economie is circulair, wat betekent dat afval de grondstof vormt voor nieuwe producten. Een groene economie is ‘biobased’, wat wil zeggen dat we geen aardolie meer gebruiken, maar groene grondstoffen op basis van planten en restproducten. Een groene economie is echter een illusie. Als we efficiënter produceren, maar er tegelijkertijd twee keer zoveel van produceren omdat het groei-dogma nog steeds overheerst, is het uiteindelijke plaatje altijd minder duurzaam dan daarvoor. De groene, circulaire economie heeft nu ook nog andere ernstige tekortkomingen: we vragen consumenten om meer te betalen voor in het algemeen minder kwaliteit, en we vragen geldschieters om meer te investeren voor minder rendement – en hopen dat dit in de toekomst verandert. Daarnaast zijn veel van de met dollar of euro tekens in de ogen geïnvesteerde bedragen in duurzame aandelen ook grotendeels verdamp.

Een blauwe economie dan, zoals voorgesteld door Gunter Pauli? Pauli ontwikkelde vanaf eind jaren 90 het idee van een blauwe economie. Geïnspireerd op ecosystemen creëert de blauwe economie door cyclische productie – daar hebben we het weer – uit ‘afval’ voedsel, inkomen en banen. Vergelijkbaar met het ‘cradle-2-cradle’ denken dus.

De kern van zowel de groene- en blauwe economie is dat duurzaamheidsproblemen met innovatieve, technologische verbeteringen kunnen worden opgelost, zonder dat we onze levensstijl drastisch hoeven aan te passen. Er wordt vooral naar oplossingen gezocht in met name de techniek, en niet in bijvoorbeeld de maatschappelijke of culturele hoek, en de associatie met groei, geld verdienen, en een voortzetting van ons consumptie gedrag is duidelijk aanwezig. Ook blijven de gevolgen van groene- of blauwe economische systemen voor transport (demontage en hergebruik van producten leiden tot meer vervoer) en energiegebruik (recycling kost veel energie) daarbij doorgaans onderbelicht.

Dat een groene of blauwe economie leidt tot duurzame uitkomsten staat dus allerminst vast. Hoe afvalstromen zo kunnen worden geleid dat ze precies in de juiste hoeveelheid, op het juiste moment en op de juiste plaats als ‘voedsel’ voor andere processen kunnen dienen, met een gering beroep op transport en energie, is een open vraag. Hetzelfde geldt voor de vraag hoe de bijna inherente groei van de technosfeer kan worden beperkt.

Duidelijk is dat denken in welke economische kleur niet werkt. We moeten af van het denkbeeld dat ‘winst’ automatisch ‘meer geld’ betekent, en dat ‘groei’ alleen ‘economisch’ kan zijn. We moeten beseffen dat we mens en milieu boven winst en kapitaal moeten stellen. Beter zou zijn het gehele economische denken te vervangen door een denkwijze dat de complexiteit van onze huidige maatschappelijke en milieuvraagstukken onder ogen durft te zien. Duurzame ontwikkeling dus.

Vergeleken met klimaatverandering is covid-19 een lachertje

Cartoon van Raf Schoenmaekers.

“We hebben hier al tientallen jaren voor gewaarschuwd”

Covid-19, de derde uitbraak van een coronavirus in 20 jaar, was niet bepaald onvoorspelbaar. Hoogleraar Pim Martens, die wetenschappelijke kennis en dierenrechtenactivisme probeert te combineren, legt uit hoe zoönosen, besmettelijke ziektes die van dieren op mensen kunnen overspringen, de complexe onderlinge samenhang aan het licht brengen tussen ons welzijn en hoe we met dieren omgaan.

“Het was vreemd – ik had geen idee. Zelfs toen de eerste rapporten verschenen, was ik er vrij zeker van dat ze het beperkt zouden weten te houden tot de provincie…” Hoogleraar Sustainable Development Pim Martens was eind vorig jaar in China op uitnodiging van Bingtao Su, zijn voormalige PhD-student bij de Universiteit Maastricht. Als gastdocent gaf hij twee weken lang colleges aan de Shandong Universiteit en de Chinese Academie van Wetenschappen.

Onder zijn leiding had Su de Chinese visie op dierenwelzijn bestudeerd, in vergelijking met Nederland en Japan. Door middel van enquêtes hadden ze data verzameld over factoren als leeftijd, geslacht en religie in relatie tot de opvattingen over dieren. Hij begeleidt nu ook PhD- en MSc-studenten die soortgelijk onderzoek doen in Indonesië en Spanje.

Chinese opvattingen over dieren

“Duurzaamheid is ondervertegenwoordigd in de Chinese wetenschap, maar ze halen graag expertise in huis, vooral geïntegreerde visies op interdisciplinaire duurzaamheidswetenschap.” Duurzame relaties tussen dieren en mensen liggen in China enigszins gevoelig: behalve dat het om enorme bedragen gaat, bestaat het geloof in de medicinale krachten van de organen van zeldzame dieren nog altijd, en ligt terughoudendheid met betrekking tot openlijke kritiek in de cultuur besloten.

“China is een gigantisch en zeer divers land, dus het is moeilijk om te generaliseren – dat is ook iets dat uit het onderzoek naar voren kwam. Het klopt dat ze veel meer verschillende dieren eten dan wij, hoewel je ook kunt beweren hoe verrassend weinig dieren we in West-Europa eten…” Hoe het ook zij, velen vermoeden dat de wet markets, waar veel verschillende soorten dieren dicht bij elkaar gehouden worden, de oorsprong zijn van covid-19.

Vlees, melk en grondstoffen

Steeds meer dieren zitten dicht op elkaar gepakt in onhygiënische of juist uiterst hygiënische (antibiotica, enz.) omstandigheden, om tegemoet te komen aan de stijgende vraag naar dierlijke proteïnen in de dichtbevolkte steden. Vanwege de behoefte aan ruimte en grondstoffen worden de woongebieden van dieren, zoals regenwouden, steeds verder aangetast, wat omgekeerd tot effect heeft dat meer mensen in contact komen met meer exotische diersoorten. Tel daar het intensieve internationale reizen – van zowel mens als dier – bij op en voilà: prima omstandigheden voor zoönose.

Het overspringen van ziektes van dieren op mensen is natuurlijk niet helemaal te voorkomen. “Het gaat om waarschijnlijkheid. Als we allemaal veganistische dierenrechtenactivisten zouden zijn, zou er zich nog steeds een zoönotische pandemie kunnen voordoen, maar de kans daarop zou oneindig veel kleiner zijn.” Covid-19 kwam ook niet uit de lucht vallen. “Wetenschappers zitten al tientallen jaren te wachten tot dit gebeurt – het was altijd een kwestie van wanneer, niet van of.” In de afgelopen 20 jaar zijn er verschillende zoönotische epidemieën geweest; bij enkele daarvan ging het om corona.

Zoönose dichter bij huis

Volgens Martens is een West-Europese bron van een zoönotische ziekte ook niet ondenkbaar. Neem bijvoorbeeld Nederland, een dichtbevolkt land met een intensieve veesector met grote aantallen dieren: iedere dag worden er meer dan 1,5 miljoen dieren geslacht, nadat ze een leven lang op elkaars lip hebben gezeten. De bevolking is binnen de landsgrenzen zeer mobiel en Schiphol is een van de drukste luchthavens van Europa.

Martens brengt de uitbraak van de Q-koorts in 2007 in herinnering, een tamelijk zeldzame maar verwoestende ziekte, die van vee kan overgaan op mensen. De Nederlandse autoriteiten hadden moeite met het tegengaan en het monitoren van de ziekte. Het aantal slachtoffers, dat oorspronkelijk op 25 lag, wordt inmiddels geschat op tegen de 100. De verspreiding van Q-koorts werd uiteindelijk beperkt door massale ruiming (voor de duidelijkheid: van geiten en schapen) en door de ontwikkeling van een vaccin voor dieren.

Meer respect voor de natuur

“De oplossing ligt in meer respect voor de natuur: stoppen met de veehouderij op industriële schaal, ontbossing, wet markets, enzovoorts. Dat zou ook de aanpak van de klimaatverandering ten goede komen – vergeleken bij de gevolgen daarvan is covid-19 een lachertje.” Martens’ eigen bijdrage aan de wetenschap – samen met vele andere internationale wetenschappers – is het bestuderen van de complexe interacties tussen mensen, dieren en de natuur, onder andere door het ontwikkelen van wiskundige methodes om de verspreiding van zoönosen te simuleren. Maar hij hoopt ook dat hij zijn steentje kan bijdragen aan mentaliteitsverandering.

Het deed hem zeker goed om te zien hoeveel studenten zijn colleges in China bijwoonden en hoe geïnteresseerd en goed geïnformeerd ze zijn. “Je kunt zien dat er een culturele verandering gaan is onder jonge, goed opgeleide mensen in stedelijke gebieden.” Samen met Su wil hij nu het originele onderzoek herhalen om uit te zoeken of de uitbraak van covid-19 de opvattingen over dierenwelzijn in China zijn veranderd.

Dat moet toch haast wel? Martens heeft zijn twijfels, gelet op het publieke en politieke discours. “Natuurlijk, economisch herstel is heel belangrijk, maar ik hoop echt dat we niet in no time terugvallen in de oude patronen, zonder het onderliggende probleem gefikst te hebben.” Met een zucht voegt hij eraan toe: “Als we niks geleerd hebben van deze pandemie, dan misschien van de volgende…”

Door: Florian Raith. Zie origineel bericht op UMnieuws.

Te weinig oog voor ziektes door klimaatverandering

Origineel bericht op undefined

De eikenprocessierups is in aantocht, maar volgens hoogleraar duurzame ontwikkeling Pim Martens is dat niet het enige insect waar we dankzij klimaatverandering de komende jaren last van zullen hebben. En het blijft niet bij insecten. Martens: “Klimaatverandering brengt meer gezondheidsrisico’s met zich mee. Daar hebben we te weinig oog voor.”

Hoe kan het dat er steeds meer vreemde insecten in Nederland voorkomen?

“Door de opwarming van de aarde zijn onze zomers warmer en onze winters milder. Daardoor kunnen insecten die hier vroeger niet voorkwamen ineens in Nederland overleven. Dat kunnen ‘onschuldige’ nieuwe vlindersoorten zijn, maar het kunnen ook insecten zijn die een gezondheidsrisico vormen, zoals de eikenprocessierups die voor veel jeuk zorgt. Of de tijgermug en de superteek.”

“Er zijn ongeveer tien ziektes die een tijgermug potentieel kan overbrengen, zoals zika, knokkelkoorts (dengue) en gele koorts. En de superteek kan ziektes overbrengen zoals krim-congokoorts. Gelukkig zijn de superteken die momenteel in Nederland zijn gespot daar niet mee besmet. En nog niemand in Nederland is ziek geworden van de beet van de tijgermug, maar het zou wel kúnnen dat besmette insecten zich in Nederland vestigen.”

Klimaatverandering brengt volgens u ook andere gezondheidsrisico’s met zich mee. Welke?

“Het zijn niet alleen insecten die een gezondheidsrisico vormen. De opwarming van de aarde verlengt bijvoorbeeld ook het pollenseizoen. Wie gevoelig is voor allergieën zoals hooikoorts, krijgt daar langer last van.”

“De klimaateffecten op gezondheid hebben altijd relatief weinig aandacht gehad, terwijl we zeker nu zien hoe bijvoorbeeld een infectieziekte een samenleving kan lamleggen.”

Pim Martens, hoogleraar duurzame ontwikkeling

“We staan ook te weinig stil bij de effecten van onze klimaatmaatregelen. Klimaatverandering zorgt bijvoorbeeld voor meer wateroverlast. Om die op te vangen, leggen we waterbuffers aan. Maar daarbij denken we niet na over insecten zoals muggen die op water afkomen. Die kunnen verspreiders van ziekten zijn.”

Zoals malaria?

“De kans dat malaria uitbreekt in Nederland is erg klein. De muggen die het kunnen overbrengen, hebben we allang. Voor een uitbraak moet eerst een aanzienlijk aantal mensen besmet zijn. Andere, onbekende ziektes kunnen wél verspreid worden door muggen of andere insecten.”

“De kans dat zoiets gebeurt, wordt steeds groter. Niet alleen door muggen trouwens. Ook de kans op een uitbraak van een infectieziekte onder vee zoals blauwtong wordt groter.”

Waarom groeit die kans?

“Door een combinatie van factoren die op elkaar inspelen. Het wordt warmer én we vliegen meer. Het klimaat verandert én we laten onze biodiversiteit verpieteren. We hebben te weinig oog voor de risico’s van ons waterbeleid én er zijn muggen, vogels en andere dieren die een infectie kunnen verspreiden. Alles hangt met elkaar samen.”

Kunnen we gezondheidsproblemen in de toekomst voorkomen?

“We moeten integraler en duurzamer gaan denken. Geen eiken kappen als we last hebben van de eikenprocessierups bijvoorbeeld, maar denken vanuit biodiversiteit. Zet liever koolmezen in. De rups heeft vrij spel, omdat hij haast geen natuurlijke vijanden meer heeft.”

Voer moet duurzamer

March 25th, 2020

Zie ook Nederlands Dagblad

MAASTRICHT – Er zijn zoveel honden en katten in de wereld dat we ze niet meer kunnen voeden met slachtafval en dierlijke resten die mensen niet eten, zoals pens, neuzen en oren. Productie van honden- en kattenvoer draagt ook bij aan de belasting van het milieu en de verandering van het klimaat. Gebruik van plantaardige grondstoffen en insecten kan een oplossing zijn, denkt Pim Martens, hoogleraar Duurzame Ontwikkeling (in het bijzonder mens-dier-natuur relaties) aan Maastricht University

Uit onderzoek blijkt dat voor de productie van voer voor de honden en katten in Nederland een grondoppervlakte nodig is die vergelijkbaar is met veertig procent van de landbouwgrond in ons land. ,,We weten het niet precies, dus ik houd een slag om de arm. Maar het illustreert wel hoeveel het is’’, aldus Martens. Een dergelijke oppervlakte is nodig om voldoende voer te produceren voor de koeien, varkens en kippen die uiteindelijk worden verwerkt tot honden- en kattenvoer. De ecologische pootafdruk van een Nederlandse hond varieert volgens deze berekening van 0,9 tot 3,66 hectare per jaar, afhankelijk van de grootte van het dier. Voor katten komt dit neer op 0,4 tot 0,67 hectare.

Ook in andere landen is onderzoek gedaan naar het ruimtebeslag van huisdieren. ,,We hebben gevraagd hoe vaak de dieren op een dag te eten kregen, hoeveel en of ze daarbij ook nog restjes kregen van de maaltijd van de baas.’’ Vroeger at de hond met de pot mee, tegenwoordig is dat in het Westen niet erg gebruikelijk meer, maar op het platteland van China nog wel. ,,We hebben geprobeerd dat zo goed mogelijk in te schatten en in de berekeningen mee te nemen.’’ Voor Japan komt de ecologische pootafdruk voor honden en katten neer op 0,33 tot 2,19 hectare voor de hond en 0,32 tot 0,56 hectare voor de kat. Voor China is dat respectievelijk 0,82 tot 4,19 voor de hond en 0,36 en 0,63 hectare voor de kat. In deze landen worden kleinere huisdieren gehouden of is een enorm verschil tussen de dieren op het platteland, die uitsluitend kliekjes eten, en de dieren in de steden die behandeld én gevoed worden als verwende kinderen.

Nog wat concreter: de energieconsumptie van honden en katten in de VS is min of meer gelijk aan een vijfde van de energie die mensen er gebruiken voor hun voeding.

Groei

Gezien de groei van de wereldbevolking en de nog steeds stijgende welvaart, verwacht Martens dat het aantal honden en katten – in 2014 nog geschat op zo’n 220 miljoen elk – verder toeneemt en daarmee ook de behoefte aan voer. ,,Als we die dieren allemaal blijven voeren zoals nu gebeurt, legt dat een steeds groter beslag op de beschikbare ruimte en neemt vanwege de uitstoot van broeikasgassen het negatieve effect op het klimaat toe.’’ Een hond eet zoveel vlees dat zijn ecologische pootafdruk tien keer zo hoog is als de ecologische voetafdruk van de mens. Tenminste, wat betreft zijn voeding. ,,Mensen rijden in auto’s, ze vliegen en gebruiken energie voor allerlei zaken. Dat laten we buiten beschouwing, we kijken alleen naar het voedsel’’, nuanceert Martens.

Dierenvoeder moet milieuvriendelijker worden geproduceerd, maar dat is geen eenvoudige klus. Net zo als voor de mens, is het voor de hond mogelijk het grootste deel van het voer vegetarisch te maken. Voor katten ligt dat anders, dat zijn ‘verplichte carnivoren’. Zij hebben een andere fysiologie en maken bepaalde voor hun gezondheid noodzakelijke aminozuren niet zelf aan. ,,Net zoals wij geen vitamine C aanmaken, maar wel vitamine D’’, illustreert Martens. Katten moeten domweg dierlijke eiwit eten om die stoffen binnen te krijgen. Het is echter niet noodzakelijk dat een kat rund- of varkensvlees eet: kip of vis scheelt al.

Ook zou het beter zijn als de baasjes in de rijke landen wat nauwkeuriger kijken hoeveel ze hun huisdier te eten geven. Overgewicht is namelijk geen exclusief menselijk probleem. Ook veel huisdieren zijn te dik en het zou niet alleen hun gezondheid, maar ook het milieu ten goede komen als ze minder zouden eten. ,,Daar is winst te behalen’’, aldus de hoogleraar. ,,Mensen beseffen niet altijd dat ze hun hond drie keer per dag wat lekkers toestoppen, terwijl hij dat niet nodig heeft.’’

Ethisch

Menig vegetariër zal toejuichen dat er minder vlees wordt gebruikt voor het voer van gezelschapsdieren. Het gebruik van insecten om dierenvoer te produceren ziet Martens als een mogelijk alternatief. ,,Al levert het ook een ethisch probleem op, want tenslotte zijn insecten ook dieren.’’

sociaal smeermiddel

Martens, die zelf een kat heeft, is er niet op uit het houden van huisdieren te ontmoedigen. Er zitten ten slotte ook voordelen aan: ,,Huisdieren zijn een sociaal smeermiddel een ook wel een vervanging van wat anders, soms van kinderen en soms zelfs van religie.’’ Dierenliefhebbers zijn dikwijls wat socialer dan anderen.

Toch denkt hij ook na over mogelijkheden om de milieubelasting door honden en katten terug te dringen. Natuurlijk moeten mensen hondenpoep opruimen om te voorkomen dat die het oppervlaktewater vervuilt. Maar gezinnen zouden ook een hond kunnen delen bijvoorbeeld. In dat geval hebben meer mensen plezier aan het beest en belast het milieu en klimaat minder. Overheden zouden zelfs beperkingen op kunnen leggen aan het bezit van honden en katten. ,,Je kunt je best afvragen waarom iemand vijf labradors zou moeten willen of twintig katten op een flat. Dit laatste nog los van de vraag hoe het staat met het dierenwelzijn.’’

Blauwe tongen, tijgermuggen, reuzenteken en processierupsen

July 24th, 2019

Onlangs vonden onderzoekers sporen van antrax-bacteriën onder de permafrost in Siberië – een warmer wordend klimaat kan deze wellicht doen vrijkomen. Wat dichter bij huis, maar wat langer geleden: op een workshop georganiseerd door de Universiteit van Wageningen en de Universiteit Maastricht in 2003 presenteerde een groep onderzoekers uit Liverpool een studie naar de mogelijke veranderingen van de verspreiding van het blauwtong virus (een virusziekte, verspreidt door een klein insect (een knut) bij schapen) als het klimaat zou veranderen. Op dat moment kwam de ziekte m.n. in Zuid-Europa voor. Op basis van modeluitkomsten verwachtten de onderzoekers dat er een kans aanwezig zou zijn dat het ook meer noordelijk, o.a. in Nederland, zou kunnen gaan voorkomen. Door de aanwezig beleidsmakers werd er toen een beetje lacherig over gedaan. In 2006 werd de ziekte bij een bedrijf met schapen in Kerkrade vastgesteld.

In 1997 promoveerde ik op de mogelijke gevolgen van een klimaatverandering op de verspreiding van infectieziekten zoals malaria en knokkelkoorts. Een van de mogelijke risico’s die mijn modellen toen aangaven was de dat tijgermug (verantwoordelijk voor de verspreiding van o.a. knokkelkoorts en het zika-virus) door een veranderd klimaat een groter verspreidingsgebied zouden kunnen krijgen. De mug rukt nu op vanuit Zuidoost-Azië naar Europa en – zoals 22 jaar geleden al aangeven – is de kans groot dat de mug overleeft en zich permanent vestigt in Nederland. Deze zomer is weer een tijgermug (in Weert) gevonden.

Deze toename in verspreiding van deze twee – door insecten overgebrachte – ziekten in dier en mens is door onderzoekers ‘voorspeld’ (tussen aanhalingstekens, omdat we natuurlijk niet alle factoren die een ziekte verspreiden precies in kaart kunnen brengen). Maar er zijn ook ziekten die door het klimaat beïnvloedt worden, die we een aantal jaar geleden nauwelijks op ons netvlies hadden. In Duitsland, vlak bij de Nederlandse grens, zijn de afgelopen dagen zeker zes hyalomma-teken gevonden. Die zijn drie keer zo groot als normale teken en kunnen gevaarlijke ziektes overbrengen. En deze week werd deze teek ook in Nederland gesignaleerd. En in Nederland zuchten vele mensen onder de gevolgen van de toename van het aantal eikenprocessierupsen.

Als onderzoeker kan je alleen maar hopen dat de pogingen om het complexe samenspel van klimaat, ziekten en vele andere factoren in kaart te brengen wat serieuzer genomen worden door de politiek en andere instanties. Wellicht dat het onlangs door de Universiteit Maastricht, Universiteit van Wageningen en RIVM geschreven ‘’Kennisagenda onderzoeksprogramma klimaat en gezondheid’’ nu wel leidt tot actie. Niet alleen om de vele vragen die er nog zijn te beantwoorden, maar ook om effecten, in samenspraak met GGD’s, burgers en andere partijen – op een geïntegreerde manier aan te pakken. Want je moet er toch niet aan denken dat we onvoorbereid voor nog meer verassingen komen te staan.

Proefdieren passen niet bij een duurzame universiteit

April 4th, 2019

Proefdieren passen niet bij een duurzame universiteit

Observant

In 2021 zal in Randwijck een nieuwe proefdiervoorziening worden geopend van de Universiteit Maastricht, het biomedisch centrum (BMC). Vorige week werd de bouwvergunning aangevraagd. Onbegrijpelijk, vindt Pim Martens, hoogleraar duurzame ontwikkeling aan de UM. Dieren hebben emoties, voelen net als mensen angst en verdriet. Hoe onethisch is het om ze te gebruiken als proefdier?

Elke universiteit die zichzelf een beetje respecteert, noemt zich tegenwoordig ‘duurzaam’. Ook de Universiteit Maastricht doet haar best om zo duurzaam mogelijk te zijn, respectvol om te gaan met haar medewerkers en kritisch te zijn over de gevolgen die haar handelen voor het milieu heeft. Ook onze studenten roeren zich. Tijden de klimaatmars in Maastricht waren ze met velen en lieten hun zorgen over hoe er met de natuur wordt omgegaan luid en duidelijk horen.

Respect voor de natuur in zijn algemeenheid en respect voor dieren hangen met elkaar samen. Gandhi zei het al: ‘De beschaving van een volk is te meten aan het respect waarmee ze met hun dieren omgaan’. Duurzaamheid draait dus om de vraag hoe begaan mensen zijn met de wereld waarin, en de dieren waarmee ze leven. Dierzaamheid dus. Onze universiteit houdt zich echter niet veel bezig met dierenwelzijn. Een paradox want aan de ene kant wordt er geroepen “laten we meer vegan lunches eten”, en aan de andere kant “dierproeven zijn noodzakelijk”. Alhoewel het proefdiergebruik in Nederland gestaag vermindert – ook aan de UM overigens –  en de Nederlandse overheid het proefdieronderzoek wil afbouwen, gaat de UM een nieuw proefdierencentrum van vier etages bouwen. Ik kon het dan ook niet laten om te twitteren: “Kan je als CvB nog zoveel vegan lunches eten, en als Universiteit roepen dat je duurzamer wilt worden, als @MaastrichtU investeert in een centrum voor dierproeven, houdt het op.” Een toelichting.

Een soort automaten

Zoals het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) al eerder adviseerde, is het voor de transitie naar proefdiervrij-onderzoek nodig afscheid te nemen van bestaande denkwijzen en praktijken. NCad maakt zich dus sterk voor een paradigmaverandering dat inzet op proefdiervrije innovaties. Voor het wettelijk voorgeschreven onderzoek (o.a. verplichte veiligheidstesten voor chemische stoffen, voedselingrediënten, bestrijdingsmiddelen en (dier)geneesmiddelen), ziet het NCad mogelijkheden om het proefdiergebruik sterk te verminderen. Ook voor wetenschappelijk- en preklinisch onderzoek kan het aantal proefdieren sterk gereduceerd worden. De Universiteit Maastricht, als jonge dynamische universiteit, is volgens mij uitstekend in staat om zich internationaal te profileren als toonaangevend op het gebied van proefdiervrije innovaties, onderzoek en onderwijs. Zaak is dat er veel actiever en sneller moeten worden ingezet op een proefdiervrije toekomst dan nu het geval is; de investeringen in een nieuw gebouw zullen de transitie naar proefdiervrij onderzoek eerder remmen. Tot zover de ‘zakelijke’ argumenten.

Een veel belangrijker argument om het gebruik van proefdieren sterk te verminderen, en zelfs helemaal te stoppen, is het feit dat steeds meer modern wetenschappelijk onderzoek, zoals de neuropsychologie, aantoont dat dieren, net als wij, emoties hebben, en op een vergelijkbare manier angst en verdriet voelen.  We zitten echter nog deels met een erfenis van de Franse wiskundige, geleerde en wijsgeer René Descartes (1596-1650) die stelde dat je dieren zou kunnen beschouwen als een soort automaten, zonder gevoel. Als een dier gilt wanneer je er een mes insteekt, is de kreet het instinct en het geluid dat van een machine.

Antropo-ontkenning

Maar we zijn wijzer geworden. Allerlei eigenschappen die als typisch menselijk worden beschouwd, komen ook in het dierenrijk voor. Zelfherkenning is bij mensapen, dolfijnen, olifanten en zelfs een kraaiachtige aangetoond. Empathie, het je kunnen verplaatsen in de gevoelens van een ander, is diverse zoogdieren niet vreemd, soms zelfs soort overschrijdend. Frans de Waal, de eerste Eugène Dubois-hoogleraar aan onze universiteit, beschreef al in 1979 in Burgers’ Dierenpark dat ook chimpansees elkaar troosten. Later werd dit gedrag ook waargenomen bij onder meer olifanten, honden en knaagdieren. Iedereen die een kat of hond als huisdier heeft, zal ook bepaalde emoties in zijn huisdier herkennen. Zodra je in het gevoelsleven van dieren duikt en ziet hoe intelligent ze zijn, hoezeer zij op ons lijken, dan weet je dat dieren gebruiken als proefdieren onethisch is.

We leven echter in een tijd van antropo-ontkenning, een vrije vertaling van wat Frans de Waal “anthropodenial” noemt: wij, mensen, gebruiken dieren als voedsel, voor kleding, voor amusement, en ook in onze proefdierlaboratoria. Om dit op comfortabele wijze te kunnen doen, moeten we onszelf wijsmaken dat dieren niet dezelfde gevoelens kunnen hebben als die van ons.

De discussie zal dus verder moeten gaan dan de drie V’s (vervangen, verminderen en verfijnen) in onderzoek waarvoor proefdieren nodig zijn. Het heeft te maken met moraliteit, speciesisme (discriminatie op basis van soort), rechtvaardigheid, gedrag. Alhoewel er tot nu toe weinig aandacht is voor onderzoek en onderwijs voor mens-dier interactie aan onze universiteit, laat de belangstelling voor het nieuwe interfacultaire en interdisciplinaire UM-platform over menselijke en niet-menselijke relaties en interacties, HARI, zien dat dit onderwerp breed onder staf en studenten leeft.

Duurzaam betekent innovatief zijn. En keuzes durven te maken die laten zien dat je je sterk maakt voor goede relaties en respect tussen iedereen, ongeacht levens- of geloofsovertuiging, geaardheid, afkomst, sekse, genderoriëntatie – of soort. Als de ambitie is om met onderwijs en onderzoek voorop te lopen, dan is het bouwen van een proefdiercentrum een volgende stap op de duurzaamheidsladder – naar beneden welteverstaan.

Meer pootjes aan het bed

February 13th, 2019

Lees hier het rapport: Meer pootjes aan het bed

In het MUMC+ wordt in samenwerking met de kinderboerderij De Heeg, een programma uitgevoerd (project Beestenboel) waarin verschillende dieren onder supervisie in een speciale ruimte door kinderen uit het ziekenhuis kunnen worden bezocht en geknuffeld. Het is een plezierige en ontspannende ontmoeting voor de kinderen en de kinderen en hun ouders genieten daar erg van. Het programma, dat uitgevoerd wordt door professionals en vrijwilligers, biedt uitstekende mogelijkheden om te onderzoeken welke effecten het bezoek van de dieren oplevert voor de kinderen volgens ouders, artsen en andere betrokkenen. De houding van het personeel en ouders ten opzichte van dier-ondersteunde activiteiten en dier-ondersteunde therapieën is cruciaal voor het succes van door dieren gesteunde programma’s. Met dergelijke kennis is het mogelijk om ​​door dieren ondersteunde activiteiten en therapieën in te zetten en de kwaliteit te waarborgen.

Deze pilot studie heeft in kaart gebracht waar volgens ouders, dierverzorgers, stafleden en medici de voordelen en uitdagingen liggen van het huidige programma. Ook heeft het onderzocht of een geprotocolleerd animal-assisted interventie programma met medewerking van de kinderboerderij De Heeg, ouders, staf en andere betrokkenen tot de mogelijkheden behoort en wil het een voorstel doen hoe dit te realiseren.

Op grond van de resultaten van deze studie zou vastgesteld kunnen worden of dit programma zou kunnen worden uitgebreid, verbeterd, veranderd c.q. geprofessionaliseerd. In de diverse Europese ziekenhuizen en vooral in kinderziekenhuizen werden de laatste jaren programma’s gestart met dier-ondersteunde interventies, als onderdeel van behandelprotocollen. Op geprotocolleerde wijze worden in deze programma’s dier-ondersteunde interventies aangeboden op een voor mens/kind, maar ook voor het dier verantwoorde en niet stress-volle wijze.

Dit project kwam mede tot stand  met steun van het Universiteitsfonds Limburg/SWOL.

Learning for sustainable development

January 20th, 2015

Presentation at the 3rd GPSS GLI Symposium Tokyo

2015-01-19 09.12.13

It is clear that in making the concept of sustainable development concrete, one has to take into account a number of practical elements and obstacles. There is little doubt that integrated approaches are needed to support sustainable development. Therefore, a new research paradigm is needed that is better able to reflect the complexity and the multidimensional character of sustainable development. The new paradigm, referred to as sustainability science, must be able to encompass different magnitudes of scales (of time, space and function), multiple balances (dynamics), multiple actors (interests) and multiple failures (systemic faults).

The basic qualities that future sustainability scientists will need are: analytical insight, problem-solving qualities and good skills in both verbal and written presentation. No less important is knowledge of the diversity of instruments provided by the various disciplines involved, ranging from mathematics to history, from health sciences to economics. The range of skills needed is so wide that it can only be acquired through interdisciplinary study.

Today’s students will be the business leaders, scientific researchers, politicians, artists and citizens of tomorrow. The extent to which they will be prepared to take decisions in favour of a sustainable future depends on the awareness, the knowledge, expertise and values they have acquired during their studies and in the subsequent years. For this reason, the concepts and themes of sustainability should be integrated into all levels of educational programming. Curricula must be revised so that sustainable development forms a guiding principle throughout the entire period of their studies – and afterwards too. New teaching methods must accompany this ‘learning for sustainable development’.

Full presentation: Learning for sustainable development: the need for new paradigms

Duurzaamheid: een kwestie van gezond verstand

November 24th, 2014

Expeditie duurzaamheid. Het klinkt haast als een opdracht. Verantwoord(elijk) ondernemen zou veeleer vanzelfsprekend moeten zijn. „Om duurzaam te zijn, hoef je echt niet gestudeerd te hebben. Gezond boerenverstand is al voldoende”, betoogt Pim Martens, hoogleraar duurzame ontwikkeling.

Zowat elk bedrijf dat zichzelf een beetje respecteert, noemt zich tegenwoordig ‘duurzaam’. Het predikaat wordt vaak te pas en te onpas gebruikt. „Het lijkt haast alsof je niet meer meetelt als je zo’n stempel niet hebt”, zegt prof. dr. Pim Martens van de Universiteit Maastricht. Hij wijst ook op een inflatie aan Awards, allerlei ranglijsten. Duurzaam-zus, duurzaam-zo. „Het begrip is een doel op zich geworden. Dat gaat ten koste van de inhoud. Da’s jammer.”

Duurzaamheid op de agenda en het netvlies. Nu nog de implementatie. „Het begrip maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) heeft de laatste jaren bij bedrijven aan populariteit gewonnen”, aldus Pim Martens. „Voor de grote is het hebben van een goede mvo-strategie zelfs essentieel.” Beursgenoteerde ondernemingen als ABN Amro, Akzo, DSM, Unilever, Philips, Numico, TNT trekken de kar. Ze sloven zich al jaren uit om meer te doen voor milieu en maatschappij. Om waarde te creëren voor aandeelhouders, maar ook afnemers, klanten en eigen personeel. Duurzaamheid is hun ‘licence to operate’. Ze houden zich aan eisen van overheid en maatschappelijke organisatie en gaan zelfs vaak nog een flinke stap verder.

Aan de onderkant van de piramide is er echter nog een wereld te winnen. „Daar is het soms gerommel in de marge. Vaak goed bedoeld overigens.” Het ontbreken van tijd en budget wordt als belangrijk knelpunt ervaren. Initiatieven vinden veelal ook ad hoc plaats. Er worden geen onderlinge verbanden gelegd, waardoor minder efficiënt wordt gewerkt en initiatieven eerder stranden. Soms ook wordt mvo verward met liefdadigheid. „Mvo is echter nooit af, het is een continu proces.”

Duurzaamheid was vroeger een uniek sellingpoint. „Tegenwoordig zijn er speciale managers, ja zelfs hele afdelingen die zich met het thema bezighouden. Grote bedrijven als DSM kunnen zich dat ook veroorloven. Aan de andere kant: als je redelijk milieuverontreinigend bent, dan kun je natuurlijk ook heel duurzaam zijn.”

Duurzaamheid moet je doen. Hoort bij fatsoen. Martens vindt dat grote bedrijven en overheden anderen een handje moeten helpen. „Goed gedrag stimuleren. Dat mag allemaal nog wat sterker.” Vaak slaat men door naar het gewin. „Milieuwinst is meetbaar. Wat ik sterk mis is de sociale duurzaamheid. Je moet ook een partner zijn voor de regio. Gedacht wordt dat duurzaamheid geld kost. Een misvatting. Nadenken over duurzaamheid kost energie. Daar begint het mee. Het begrip wordt vaak te complex gemaakt; te zwaar aangezet. Meestal is gezond boerenverstand al voldoende.”

Vooral de jonge generatie vindt alleen winst maken erg eenzijdig. Zij vinden dat een bedrijf ook maatschappelijk iets moet bijdragen. Pim Martens vindt dat vanzelfsprekend. „Het is toch raar dat bedrijven die minder winst maken, gaan bezuiningen. Mensen ontslaan. Dan denk ik: hè? Dat is krom. Dan zit er toch iets fout in ons economisch denken. Ze doen dan echter alleen maar om de aandeelhouders te plezieren. Daar zit volgens mij een groot probleem. Ik denk dat het systeem van het aandeelhouderschap op de schop moet.”

Het zijn met name de vele kleine bedrijven die nog met de implementatie van duurzaamheid worstelen. „Ik kom zelf uit de gezondheidshoek. Eigen gezondheid en welbevinden zijn de hoekstenen van duurzaamheid. Het gaat uiteindelijk om ons mensen. Om gedrag. Een cultuuromslag klinkt wat hippie-achtig. Maar waarom moet de economie altijd groeien? Waarom niet minder gaan werken. Je verdient weliswaar iets minder. Maar is dat erg? Er komen wel meer mensen aan het werk. Bedrijven moeten af van die voortdurende winstmaximalisatie Je bent al goed bezig als bedrijf als je op verantwoorde wijze een product maakt. Probeer te leren van mekaar, ook van fouten.”

Er is volgens Martens nog een lange weg te gaan. „Nederland scoort nog goed op duurzaamheidsladder. Wel steeds minder hoog. Discussies over schaliegas ja of nee, en over gesjoemel met subsidies voor windturbines zijn niet zo handig. Ze werken contraproductief; vreten aan het vertrouwen.”

Martens vindt het onderhand tijd voor een minister ‘duurzame ontwikkeling’. „Stimuleer en faciliteer. Blijf vooral ook kritisch. Betrek in alles de paragraaf duurzaamheid. Zoals dat bijvoorbeeld is gebeurd rondom de aanbesteding van de A2-Traverse in Maastricht.”

Duurzaam betekent ook innovatief zijn. „Nieuwe regelgeving stimuleert nu niet echt. Hervorm de belastingen zo, dat je duurzaamheid beloont en milieubelasting extra belast.”

Duurzaamheid. Het is en blijft een complex en veelzijdig begrip. Iedereen geeft er vanuit zijn eigen perspectief inhoud aan. „Het dilemma: we zijn er met zijn allen verantwoordelijk voor. De een wat meer dan de ander. Spreek me mekaar er voortdurend op aan. We zijn met zijn allen langzaam op de goede weg. Een stuk verder in elk geval dan pakweg tien, twintig jaar geleden. Maar er mag nu onderhand wel weer een versnelling in komen.”