Category Archives: Duurzaamheid

KNAW commissie Planetary Health

Vereerd lid te zijn van de KNAW commissie Planetary Health die gaat inventariseren welke wetenschappelijke kennis er nodig is op het gebied van planetary health en welke prioriteiten voor kennisontwikkeling er liggen voor Nederland.

Planetary health is de interdisciplinaire benadering van het verband tussen de gezondheid en welzijn van mens en dier en de ‘gezondheid’ van de aarde. Het gaat daarbij om klimaatverandering en verlies van biodiversiteit maar bijvoorbeeld ook om grootschalige milieuvervuiling, ontbossing, erosie en andere door de mens veroorzaakte veranderingen die gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Die risico’s zijn onder meer infectieziekten, problemen met voedsel- en drinkwatervoorziening, migratie en conflict en mentale gezondheid.

Voor meer informatie zie KNAW website

English

Honored to be a member of the KNAW (The Royal Netherlands Academy of Arts and Sciences) Planetary Health committee, which will inventorize the scientific knowledge needed in the field of planetary health and the priorities for knowledge development for the Netherlands.

Planetary health is the interdisciplinary approach to the link between the health and well-being of human and non-human animals and the ‘health’ of the earth. This concerns climate change and loss of biodiversity, but also, for example, large-scale environmental pollution, deforestation, erosion and other man-made changes that entail health risks. Those risks include infectious diseases, problems with food and drinking water supplies, migration and conflict, and mental health.

For more information see KNAW website

Hoe heeft COVID-19 dier-mens relaties veranderd?

Het Centrum voor DierMens Studies nodigt je graag uit voor de eindejaarslezing op 23 juni: ‘Hoe heeft COVID-19 dier-mens relaties veranderd?’

Via Zoom bespreken we samen met Pim Martens en Susan Boonman-Berson hoe de coronapandemie mens-dierrelaties zichtbaar maakt, verrijkt, en onder druk zet. 

Niet-menselijke dieren zijn onmisbaar geweest tijdens de pandemie: van de zoönotische oorsprong tot het massaal adopteren van puppies en van dieren die plots de stad in trokken tot recordaantallen deelnemers in de Nationale Vogeltelling. Dieren als gezondheidsrisico, als gezelschap, als gast, als eten; de pandemie dwong ons om te reflecteren op hoe wij ons verhouden tot niet-mensen.

Maar hoe duurzaam is deze reflectie en in hoeverre zullen onze relaties met andere dieren hierdoor veranderen op de lange termijn?

Beide sprekers zullen tijdens de lezing hun inzichten delen op de invloed die corona heeft op mens-dierrelaties waarna er tijd is voor vragen en discussie. 

Wanneer?

Woensdag 23 juni van 19:00-20.30

Hoe?

Meld je via dit formulier aan en je ontvangt de Zoomlink vanzelf in je mailbox.

Wie?

  • Pim Martens is hoogleraar ‘Sustainable Development’ aan de Universiteit Maastricht en is Senior Fellow in het programma ‘Ethics of the Anthropocene’ op de Vrije Universiteit Amsterdam. Buiten zijn academische werk om is hij oprichter van de ‘think and do tank’ AnimalWise waarmee hij wetenschap combineert met activisme om tot een dierzamere samenleving te komen.
  • Susan Boonman-Berson is oprichter van het platform Bear at Work wat staat voor een samenleving waarin mens en wild dier duurzaam en als bondgenoot met elkaar samenleven. Ze is gespecialiseerd in mens-dier conflicten en schreef het boek ‘Living with Wild Animals’  aan de hand van haar promotieonderzoek.

Wij kijken er naar uit om jou woensdag te mogen ontvangen!

Mens-dierrelatie, zoönosen en de recente COVID-19 pandemie

Onze gezondheid is afhankelijk van biodiversiteit. Wij zijn afhankelijk van ecosystemen en de diensten die deze ecosystemen aan ons geven. Gezondheid van dieren, mensen en planten hangt met elkaar samen. Het één kun je niet los zien van het andere. Duurzaamheid en dieren hebben alles met elkaar te maken.

Bekijk hier het interview wat ik onlangs had met de Nicolaas G. Pierson Foundation over mens-dierrelatie, zoönosen en de COVID-19 pandemie.

Circulaire, groene- of blauwe economie? Nee, duurzaamheid sukkel!

Het rapport van de Universiteit van New South Wales (UNSW) in Australië, deze week gepubliceerd in Nature Communications, kopt ‘Wetenschappers waarschuwen voor Overvloed’.  Ze analyseerden eerdere wetenschappelijke studies die de relatie bekeken tussen rijkdom, economie en de impact daarvan op verschillende maatschappelijke fenomenen. Hun conclusie is duidelijk: technologie zal ons een heel eind op weg helpen, maar enkel als we bereid zijn om onze huidige levensstijl en economische systeem verregaand te veranderen.

Het is duidelijke dat de oude manier van economisch denken zijn langste tijd heeft gehad. De grijze economie, gebaseerd op de theorieën van onder andere Milton Friedman met een sterk geloof in de efficiëntie van de private sector en het marktmechanisme, ligt mede ten grondslag aan wereldwijde milieuproblemen als biodiversiteitsverlies en klimaatveranderng. 

Een van de huidige veel genoemde oplossingen is die van een transitie naar een groene economie. De kern van een nieuwe, groene economie is het schoon en veilig produceren en consumeren van goederen, materialen en energie. Een groene economie is circulair, wat betekent dat afval de grondstof vormt voor nieuwe producten. Een groene economie is ‘biobased’, wat wil zeggen dat we geen aardolie meer gebruiken, maar groene grondstoffen op basis van planten en restproducten. Een groene economie is echter een illusie. Als we efficiënter produceren, maar er tegelijkertijd twee keer zoveel van produceren omdat het groei-dogma nog steeds overheerst, is het uiteindelijke plaatje altijd minder duurzaam dan daarvoor. De groene, circulaire economie heeft nu ook nog andere ernstige tekortkomingen: we vragen consumenten om meer te betalen voor in het algemeen minder kwaliteit, en we vragen geldschieters om meer te investeren voor minder rendement – en hopen dat dit in de toekomst verandert. Daarnaast zijn veel van de met dollar of euro tekens in de ogen geïnvesteerde bedragen in duurzame aandelen ook grotendeels verdamp.

Een blauwe economie dan, zoals voorgesteld door Gunter Pauli? Pauli ontwikkelde vanaf eind jaren 90 het idee van een blauwe economie. Geïnspireerd op ecosystemen creëert de blauwe economie door cyclische productie – daar hebben we het weer – uit ‘afval’ voedsel, inkomen en banen. Vergelijkbaar met het ‘cradle-2-cradle’ denken dus.

De kern van zowel de groene- en blauwe economie is dat duurzaamheidsproblemen met innovatieve, technologische verbeteringen kunnen worden opgelost, zonder dat we onze levensstijl drastisch hoeven aan te passen. Er wordt vooral naar oplossingen gezocht in met name de techniek, en niet in bijvoorbeeld de maatschappelijke of culturele hoek, en de associatie met groei, geld verdienen, en een voortzetting van ons consumptie gedrag is duidelijk aanwezig. Ook blijven de gevolgen van groene- of blauwe economische systemen voor transport (demontage en hergebruik van producten leiden tot meer vervoer) en energiegebruik (recycling kost veel energie) daarbij doorgaans onderbelicht.

Dat een groene of blauwe economie leidt tot duurzame uitkomsten staat dus allerminst vast. Hoe afvalstromen zo kunnen worden geleid dat ze precies in de juiste hoeveelheid, op het juiste moment en op de juiste plaats als ‘voedsel’ voor andere processen kunnen dienen, met een gering beroep op transport en energie, is een open vraag. Hetzelfde geldt voor de vraag hoe de bijna inherente groei van de technosfeer kan worden beperkt.

Duidelijk is dat denken in welke economische kleur niet werkt. We moeten af van het denkbeeld dat ‘winst’ automatisch ‘meer geld’ betekent, en dat ‘groei’ alleen ‘economisch’ kan zijn. We moeten beseffen dat we mens en milieu boven winst en kapitaal moeten stellen. Beter zou zijn het gehele economische denken te vervangen door een denkwijze dat de complexiteit van onze huidige maatschappelijke en milieuvraagstukken onder ogen durft te zien. Duurzame ontwikkeling dus.

Vergeleken met klimaatverandering is covid-19 een lachertje

Cartoon van Raf Schoenmaekers.

“We hebben hier al tientallen jaren voor gewaarschuwd”

Covid-19, de derde uitbraak van een coronavirus in 20 jaar, was niet bepaald onvoorspelbaar. Hoogleraar Pim Martens, die wetenschappelijke kennis en dierenrechtenactivisme probeert te combineren, legt uit hoe zoönosen, besmettelijke ziektes die van dieren op mensen kunnen overspringen, de complexe onderlinge samenhang aan het licht brengen tussen ons welzijn en hoe we met dieren omgaan.

“Het was vreemd – ik had geen idee. Zelfs toen de eerste rapporten verschenen, was ik er vrij zeker van dat ze het beperkt zouden weten te houden tot de provincie…” Hoogleraar Sustainable Development Pim Martens was eind vorig jaar in China op uitnodiging van Bingtao Su, zijn voormalige PhD-student bij de Universiteit Maastricht. Als gastdocent gaf hij twee weken lang colleges aan de Shandong Universiteit en de Chinese Academie van Wetenschappen.

Onder zijn leiding had Su de Chinese visie op dierenwelzijn bestudeerd, in vergelijking met Nederland en Japan. Door middel van enquêtes hadden ze data verzameld over factoren als leeftijd, geslacht en religie in relatie tot de opvattingen over dieren. Hij begeleidt nu ook PhD- en MSc-studenten die soortgelijk onderzoek doen in Indonesië en Spanje.

Chinese opvattingen over dieren

“Duurzaamheid is ondervertegenwoordigd in de Chinese wetenschap, maar ze halen graag expertise in huis, vooral geïntegreerde visies op interdisciplinaire duurzaamheidswetenschap.” Duurzame relaties tussen dieren en mensen liggen in China enigszins gevoelig: behalve dat het om enorme bedragen gaat, bestaat het geloof in de medicinale krachten van de organen van zeldzame dieren nog altijd, en ligt terughoudendheid met betrekking tot openlijke kritiek in de cultuur besloten.

“China is een gigantisch en zeer divers land, dus het is moeilijk om te generaliseren – dat is ook iets dat uit het onderzoek naar voren kwam. Het klopt dat ze veel meer verschillende dieren eten dan wij, hoewel je ook kunt beweren hoe verrassend weinig dieren we in West-Europa eten…” Hoe het ook zij, velen vermoeden dat de wet markets, waar veel verschillende soorten dieren dicht bij elkaar gehouden worden, de oorsprong zijn van covid-19.

Vlees, melk en grondstoffen

Steeds meer dieren zitten dicht op elkaar gepakt in onhygiënische of juist uiterst hygiënische (antibiotica, enz.) omstandigheden, om tegemoet te komen aan de stijgende vraag naar dierlijke proteïnen in de dichtbevolkte steden. Vanwege de behoefte aan ruimte en grondstoffen worden de woongebieden van dieren, zoals regenwouden, steeds verder aangetast, wat omgekeerd tot effect heeft dat meer mensen in contact komen met meer exotische diersoorten. Tel daar het intensieve internationale reizen – van zowel mens als dier – bij op en voilà: prima omstandigheden voor zoönose.

Het overspringen van ziektes van dieren op mensen is natuurlijk niet helemaal te voorkomen. “Het gaat om waarschijnlijkheid. Als we allemaal veganistische dierenrechtenactivisten zouden zijn, zou er zich nog steeds een zoönotische pandemie kunnen voordoen, maar de kans daarop zou oneindig veel kleiner zijn.” Covid-19 kwam ook niet uit de lucht vallen. “Wetenschappers zitten al tientallen jaren te wachten tot dit gebeurt – het was altijd een kwestie van wanneer, niet van of.” In de afgelopen 20 jaar zijn er verschillende zoönotische epidemieën geweest; bij enkele daarvan ging het om corona.

Zoönose dichter bij huis

Volgens Martens is een West-Europese bron van een zoönotische ziekte ook niet ondenkbaar. Neem bijvoorbeeld Nederland, een dichtbevolkt land met een intensieve veesector met grote aantallen dieren: iedere dag worden er meer dan 1,5 miljoen dieren geslacht, nadat ze een leven lang op elkaars lip hebben gezeten. De bevolking is binnen de landsgrenzen zeer mobiel en Schiphol is een van de drukste luchthavens van Europa.

Martens brengt de uitbraak van de Q-koorts in 2007 in herinnering, een tamelijk zeldzame maar verwoestende ziekte, die van vee kan overgaan op mensen. De Nederlandse autoriteiten hadden moeite met het tegengaan en het monitoren van de ziekte. Het aantal slachtoffers, dat oorspronkelijk op 25 lag, wordt inmiddels geschat op tegen de 100. De verspreiding van Q-koorts werd uiteindelijk beperkt door massale ruiming (voor de duidelijkheid: van geiten en schapen) en door de ontwikkeling van een vaccin voor dieren.

Meer respect voor de natuur

“De oplossing ligt in meer respect voor de natuur: stoppen met de veehouderij op industriële schaal, ontbossing, wet markets, enzovoorts. Dat zou ook de aanpak van de klimaatverandering ten goede komen – vergeleken bij de gevolgen daarvan is covid-19 een lachertje.” Martens’ eigen bijdrage aan de wetenschap – samen met vele andere internationale wetenschappers – is het bestuderen van de complexe interacties tussen mensen, dieren en de natuur, onder andere door het ontwikkelen van wiskundige methodes om de verspreiding van zoönosen te simuleren. Maar hij hoopt ook dat hij zijn steentje kan bijdragen aan mentaliteitsverandering.

Het deed hem zeker goed om te zien hoeveel studenten zijn colleges in China bijwoonden en hoe geïnteresseerd en goed geïnformeerd ze zijn. “Je kunt zien dat er een culturele verandering gaan is onder jonge, goed opgeleide mensen in stedelijke gebieden.” Samen met Su wil hij nu het originele onderzoek herhalen om uit te zoeken of de uitbraak van covid-19 de opvattingen over dierenwelzijn in China zijn veranderd.

Dat moet toch haast wel? Martens heeft zijn twijfels, gelet op het publieke en politieke discours. “Natuurlijk, economisch herstel is heel belangrijk, maar ik hoop echt dat we niet in no time terugvallen in de oude patronen, zonder het onderliggende probleem gefikst te hebben.” Met een zucht voegt hij eraan toe: “Als we niks geleerd hebben van deze pandemie, dan misschien van de volgende…”

Door: Florian Raith. Zie origineel bericht op UMnieuws.

Te weinig oog voor ziektes door klimaatverandering

Origineel bericht op undefined

De eikenprocessierups is in aantocht, maar volgens hoogleraar duurzame ontwikkeling Pim Martens is dat niet het enige insect waar we dankzij klimaatverandering de komende jaren last van zullen hebben. En het blijft niet bij insecten. Martens: “Klimaatverandering brengt meer gezondheidsrisico’s met zich mee. Daar hebben we te weinig oog voor.”

Hoe kan het dat er steeds meer vreemde insecten in Nederland voorkomen?

“Door de opwarming van de aarde zijn onze zomers warmer en onze winters milder. Daardoor kunnen insecten die hier vroeger niet voorkwamen ineens in Nederland overleven. Dat kunnen ‘onschuldige’ nieuwe vlindersoorten zijn, maar het kunnen ook insecten zijn die een gezondheidsrisico vormen, zoals de eikenprocessierups die voor veel jeuk zorgt. Of de tijgermug en de superteek.”

“Er zijn ongeveer tien ziektes die een tijgermug potentieel kan overbrengen, zoals zika, knokkelkoorts (dengue) en gele koorts. En de superteek kan ziektes overbrengen zoals krim-congokoorts. Gelukkig zijn de superteken die momenteel in Nederland zijn gespot daar niet mee besmet. En nog niemand in Nederland is ziek geworden van de beet van de tijgermug, maar het zou wel kúnnen dat besmette insecten zich in Nederland vestigen.”

Klimaatverandering brengt volgens u ook andere gezondheidsrisico’s met zich mee. Welke?

“Het zijn niet alleen insecten die een gezondheidsrisico vormen. De opwarming van de aarde verlengt bijvoorbeeld ook het pollenseizoen. Wie gevoelig is voor allergieën zoals hooikoorts, krijgt daar langer last van.”

“De klimaateffecten op gezondheid hebben altijd relatief weinig aandacht gehad, terwijl we zeker nu zien hoe bijvoorbeeld een infectieziekte een samenleving kan lamleggen.”

Pim Martens, hoogleraar duurzame ontwikkeling

“We staan ook te weinig stil bij de effecten van onze klimaatmaatregelen. Klimaatverandering zorgt bijvoorbeeld voor meer wateroverlast. Om die op te vangen, leggen we waterbuffers aan. Maar daarbij denken we niet na over insecten zoals muggen die op water afkomen. Die kunnen verspreiders van ziekten zijn.”

Zoals malaria?

“De kans dat malaria uitbreekt in Nederland is erg klein. De muggen die het kunnen overbrengen, hebben we allang. Voor een uitbraak moet eerst een aanzienlijk aantal mensen besmet zijn. Andere, onbekende ziektes kunnen wél verspreid worden door muggen of andere insecten.”

“De kans dat zoiets gebeurt, wordt steeds groter. Niet alleen door muggen trouwens. Ook de kans op een uitbraak van een infectieziekte onder vee zoals blauwtong wordt groter.”

Waarom groeit die kans?

“Door een combinatie van factoren die op elkaar inspelen. Het wordt warmer én we vliegen meer. Het klimaat verandert én we laten onze biodiversiteit verpieteren. We hebben te weinig oog voor de risico’s van ons waterbeleid én er zijn muggen, vogels en andere dieren die een infectie kunnen verspreiden. Alles hangt met elkaar samen.”

Kunnen we gezondheidsproblemen in de toekomst voorkomen?

“We moeten integraler en duurzamer gaan denken. Geen eiken kappen als we last hebben van de eikenprocessierups bijvoorbeeld, maar denken vanuit biodiversiteit. Zet liever koolmezen in. De rups heeft vrij spel, omdat hij haast geen natuurlijke vijanden meer heeft.”

Voer moet duurzamer

March 25th, 2020

Zie ook Nederlands Dagblad

MAASTRICHT – Er zijn zoveel honden en katten in de wereld dat we ze niet meer kunnen voeden met slachtafval en dierlijke resten die mensen niet eten, zoals pens, neuzen en oren. Productie van honden- en kattenvoer draagt ook bij aan de belasting van het milieu en de verandering van het klimaat. Gebruik van plantaardige grondstoffen en insecten kan een oplossing zijn, denkt Pim Martens, hoogleraar Duurzame Ontwikkeling (in het bijzonder mens-dier-natuur relaties) aan Maastricht University

Uit onderzoek blijkt dat voor de productie van voer voor de honden en katten in Nederland een grondoppervlakte nodig is die vergelijkbaar is met veertig procent van de landbouwgrond in ons land. ,,We weten het niet precies, dus ik houd een slag om de arm. Maar het illustreert wel hoeveel het is’’, aldus Martens. Een dergelijke oppervlakte is nodig om voldoende voer te produceren voor de koeien, varkens en kippen die uiteindelijk worden verwerkt tot honden- en kattenvoer. De ecologische pootafdruk van een Nederlandse hond varieert volgens deze berekening van 0,9 tot 3,66 hectare per jaar, afhankelijk van de grootte van het dier. Voor katten komt dit neer op 0,4 tot 0,67 hectare.

Ook in andere landen is onderzoek gedaan naar het ruimtebeslag van huisdieren. ,,We hebben gevraagd hoe vaak de dieren op een dag te eten kregen, hoeveel en of ze daarbij ook nog restjes kregen van de maaltijd van de baas.’’ Vroeger at de hond met de pot mee, tegenwoordig is dat in het Westen niet erg gebruikelijk meer, maar op het platteland van China nog wel. ,,We hebben geprobeerd dat zo goed mogelijk in te schatten en in de berekeningen mee te nemen.’’ Voor Japan komt de ecologische pootafdruk voor honden en katten neer op 0,33 tot 2,19 hectare voor de hond en 0,32 tot 0,56 hectare voor de kat. Voor China is dat respectievelijk 0,82 tot 4,19 voor de hond en 0,36 en 0,63 hectare voor de kat. In deze landen worden kleinere huisdieren gehouden of is een enorm verschil tussen de dieren op het platteland, die uitsluitend kliekjes eten, en de dieren in de steden die behandeld én gevoed worden als verwende kinderen.

Nog wat concreter: de energieconsumptie van honden en katten in de VS is min of meer gelijk aan een vijfde van de energie die mensen er gebruiken voor hun voeding.

Groei

Gezien de groei van de wereldbevolking en de nog steeds stijgende welvaart, verwacht Martens dat het aantal honden en katten – in 2014 nog geschat op zo’n 220 miljoen elk – verder toeneemt en daarmee ook de behoefte aan voer. ,,Als we die dieren allemaal blijven voeren zoals nu gebeurt, legt dat een steeds groter beslag op de beschikbare ruimte en neemt vanwege de uitstoot van broeikasgassen het negatieve effect op het klimaat toe.’’ Een hond eet zoveel vlees dat zijn ecologische pootafdruk tien keer zo hoog is als de ecologische voetafdruk van de mens. Tenminste, wat betreft zijn voeding. ,,Mensen rijden in auto’s, ze vliegen en gebruiken energie voor allerlei zaken. Dat laten we buiten beschouwing, we kijken alleen naar het voedsel’’, nuanceert Martens.

Dierenvoeder moet milieuvriendelijker worden geproduceerd, maar dat is geen eenvoudige klus. Net zo als voor de mens, is het voor de hond mogelijk het grootste deel van het voer vegetarisch te maken. Voor katten ligt dat anders, dat zijn ‘verplichte carnivoren’. Zij hebben een andere fysiologie en maken bepaalde voor hun gezondheid noodzakelijke aminozuren niet zelf aan. ,,Net zoals wij geen vitamine C aanmaken, maar wel vitamine D’’, illustreert Martens. Katten moeten domweg dierlijke eiwit eten om die stoffen binnen te krijgen. Het is echter niet noodzakelijk dat een kat rund- of varkensvlees eet: kip of vis scheelt al.

Ook zou het beter zijn als de baasjes in de rijke landen wat nauwkeuriger kijken hoeveel ze hun huisdier te eten geven. Overgewicht is namelijk geen exclusief menselijk probleem. Ook veel huisdieren zijn te dik en het zou niet alleen hun gezondheid, maar ook het milieu ten goede komen als ze minder zouden eten. ,,Daar is winst te behalen’’, aldus de hoogleraar. ,,Mensen beseffen niet altijd dat ze hun hond drie keer per dag wat lekkers toestoppen, terwijl hij dat niet nodig heeft.’’

Ethisch

Menig vegetariër zal toejuichen dat er minder vlees wordt gebruikt voor het voer van gezelschapsdieren. Het gebruik van insecten om dierenvoer te produceren ziet Martens als een mogelijk alternatief. ,,Al levert het ook een ethisch probleem op, want tenslotte zijn insecten ook dieren.’’

sociaal smeermiddel

Martens, die zelf een kat heeft, is er niet op uit het houden van huisdieren te ontmoedigen. Er zitten ten slotte ook voordelen aan: ,,Huisdieren zijn een sociaal smeermiddel een ook wel een vervanging van wat anders, soms van kinderen en soms zelfs van religie.’’ Dierenliefhebbers zijn dikwijls wat socialer dan anderen.

Toch denkt hij ook na over mogelijkheden om de milieubelasting door honden en katten terug te dringen. Natuurlijk moeten mensen hondenpoep opruimen om te voorkomen dat die het oppervlaktewater vervuilt. Maar gezinnen zouden ook een hond kunnen delen bijvoorbeeld. In dat geval hebben meer mensen plezier aan het beest en belast het milieu en klimaat minder. Overheden zouden zelfs beperkingen op kunnen leggen aan het bezit van honden en katten. ,,Je kunt je best afvragen waarom iemand vijf labradors zou moeten willen of twintig katten op een flat. Dit laatste nog los van de vraag hoe het staat met het dierenwelzijn.’’

Blauwe tongen, tijgermuggen, reuzenteken en processierupsen

July 24th, 2019

Onlangs vonden onderzoekers sporen van antrax-bacteriën onder de permafrost in Siberië – een warmer wordend klimaat kan deze wellicht doen vrijkomen. Wat dichter bij huis, maar wat langer geleden: op een workshop georganiseerd door de Universiteit van Wageningen en de Universiteit Maastricht in 2003 presenteerde een groep onderzoekers uit Liverpool een studie naar de mogelijke veranderingen van de verspreiding van het blauwtong virus (een virusziekte, verspreidt door een klein insect (een knut) bij schapen) als het klimaat zou veranderen. Op dat moment kwam de ziekte m.n. in Zuid-Europa voor. Op basis van modeluitkomsten verwachtten de onderzoekers dat er een kans aanwezig zou zijn dat het ook meer noordelijk, o.a. in Nederland, zou kunnen gaan voorkomen. Door de aanwezig beleidsmakers werd er toen een beetje lacherig over gedaan. In 2006 werd de ziekte bij een bedrijf met schapen in Kerkrade vastgesteld.

In 1997 promoveerde ik op de mogelijke gevolgen van een klimaatverandering op de verspreiding van infectieziekten zoals malaria en knokkelkoorts. Een van de mogelijke risico’s die mijn modellen toen aangaven was de dat tijgermug (verantwoordelijk voor de verspreiding van o.a. knokkelkoorts en het zika-virus) door een veranderd klimaat een groter verspreidingsgebied zouden kunnen krijgen. De mug rukt nu op vanuit Zuidoost-Azië naar Europa en – zoals 22 jaar geleden al aangeven – is de kans groot dat de mug overleeft en zich permanent vestigt in Nederland. Deze zomer is weer een tijgermug (in Weert) gevonden.

Deze toename in verspreiding van deze twee – door insecten overgebrachte – ziekten in dier en mens is door onderzoekers ‘voorspeld’ (tussen aanhalingstekens, omdat we natuurlijk niet alle factoren die een ziekte verspreiden precies in kaart kunnen brengen). Maar er zijn ook ziekten die door het klimaat beïnvloedt worden, die we een aantal jaar geleden nauwelijks op ons netvlies hadden. In Duitsland, vlak bij de Nederlandse grens, zijn de afgelopen dagen zeker zes hyalomma-teken gevonden. Die zijn drie keer zo groot als normale teken en kunnen gevaarlijke ziektes overbrengen. En deze week werd deze teek ook in Nederland gesignaleerd. En in Nederland zuchten vele mensen onder de gevolgen van de toename van het aantal eikenprocessierupsen.

Als onderzoeker kan je alleen maar hopen dat de pogingen om het complexe samenspel van klimaat, ziekten en vele andere factoren in kaart te brengen wat serieuzer genomen worden door de politiek en andere instanties. Wellicht dat het onlangs door de Universiteit Maastricht, Universiteit van Wageningen en RIVM geschreven ‘’Kennisagenda onderzoeksprogramma klimaat en gezondheid’’ nu wel leidt tot actie. Niet alleen om de vele vragen die er nog zijn te beantwoorden, maar ook om effecten, in samenspraak met GGD’s, burgers en andere partijen – op een geïntegreerde manier aan te pakken. Want je moet er toch niet aan denken dat we onvoorbereid voor nog meer verassingen komen te staan.