All posts by Pim Martens

Pim Martens has a PhD in applied mathematics ànd biological sciences, is professor of planetary health, a scientivist, and integrates scientific knowledge with his passion for animals and nature.

Public debate on the meaning of academia in times of environmental crisis

January 28th, 2020

What is the role of academics in times of environmental crisis? That was the main question at the debate at the School of Business and Economics last Wednesday, organized by Students4Climate Maastricht and Sustainable Maastricht 2030.  Where some panel members emphasized the steps that have already been taken, others – together with many voices in the audience – were more critical: they feel not enough is happening and time is running out.
The panellists all agreed on one thing: education is key.  But it’s not just students who need to be informed, the university and its staff members can also play a role in educating the general public. “To a lot of people, it still seems as if 50 per cent of the scientists think climate change is real and the other 50 per cent don’t, when in reality it’s 99 per cent versus 1,” says Pim Martens, chair Sustainable Development at MSI. “We have to speak up more when we see climate lies being shared.”

“We still have opportunities, but I’m quite pessimistic,” says Martens. “We did next to nothing between the late 90s and now. What we need is a system change, not just some adjustments.”

See original post at Observant

Klimaatverandering: Te weinig oog voor gezondheidsrisico’s

October 2nd, 2019

Er komen meer beestjes aan waar we last van krijgen. Mensen met problemen aan de luchtwegen zullen in de zomer vaker naar adem snakken. Wie gevoelig is voor allergieën, krijgt over langere periodes klachten. Door hitte moeten mensen oppassen met bepaalde medicijnen en zorgvuldiger omgaan met voedsel. Meer mensen zullen sterven, vooral kwetsbare mensen. Maar ook het risico op een wereldwijde infectieziekte wordt groter en die kan ons allemaal treffen.

Interview RadarLimburg

Dit is geen bangmakerij, maar de werkelijkheid, weet prof. Pim Martens, milieugezondheidsdeskundige aan de Universiteit van Maastricht. Samen met onderzoekers van de universiteit Wageningen en het RIVM, schreef hij mee aan de Kennisagenda Klimaat en Gezondheid. Daarin pleiten wetenschappers voor meer samenhangend onderzoek en meer aandacht voor de effecten van maatregelen. Want overal gebeurt wat, maar de samenhang is vaak ver te zoeken. Simpel voorbeeld: Meer groen in de stad betekent ook meer teken. Staan we daar bij stil of laten we ons verrassen?

Geen interesse

De snelheid waarmee het klimaat verandert, is groot. Voor een aantal planten en dieren gaat het veel te snel. En de mens? Voor het eerst in zijn leven heeft Martens deze zomer zijn tuin gesproeid. In de kelder staat sinds enkele jaren een pomp paraat om bij wateroverlast de kelder leeg te pompen. De mens past zich aan, maar het gaat altijd ten koste van wat anders, zegt Martens. En dáár moeten we over nadenken, vindt hij. Dat gebeurt in zijn ogen veel te weinig. Ook in het klimaatakkoord komt gezondheid maar ‘matig’ voor. ‘’Dat verbaast me. Het gaat ons allemaal direct aan.’’

Martens doet onderzoek naar de effecten van de klimaatverandering op onze gezondheid. Geen onderzoeksgebied waar veel mensen aan werken. Ruim twintig jaar geleden is hij gepromoveerd op klimaat en gezondheid. Het was een nog onontgonnen gebied. ‘’Hooguit vijf mensen in de wereld waren er mee bezig’’. Martens boog zich toen vooral over infectieziekten in Afrika, waarvoor hij computersimulatiemodellen maakte. ‘’Er was totaal geen interesse voor in Nederland. Daarvoor was het allemaal te ver weg. In 2000 reageerden mensen laatdunkend op berichten over de blauwtongziekte, maar enkele jaren later was het zover. De komst van de tijgermug is in de jaren negentig ook al aangekondigd.’’

Ziektes

Niet dat hij en zijn vakgenoten alles hebben voorzien. De reuzenteek zagen ze niet aankomen en de opmars van de eikenprocessierups evenmin. Niettemin is zijn werk soms ‘een beetje frustrerend’. Lange tijd ging alle aandacht uit naar de betekenis van klimaatverandering op de zeespiegel en de landbouw. Naarmate infectieziekten (zoals Q-koorts) dichterbij kwamen, groeide de belangstelling voor de effecten op de gezondheid, maar er wordt volgens Martens nog steeds veel te weinig nagedacht. Een voorbeeld. ‘’Omdat we naast droogte ook wateroverlast verwachten door korte heftige periodes van regen, zijn er veel waterbuffers aangelegd om water vast te houden. Daar komen allerlei insecten op af en die kunnen verspreiders zijn van ziekten. Daar wordt niet over nagedacht.’’

Risico’s groter

Het is niet enkel de klimaatverandering die ons welbevinden raakt, het is een combinatie van factoren die op elkaar inspelen: het wordt warmer én we vliegen meer, én we hebben héél veel varkens, geiten en kippen in stallen gestopt én er zijn muggen, vogels en wilde zwijnen die een infectie kunnen verspreiden. Het risico op een uitbraak van het één of ander wordt daarmee steeds groter. ‘’Als er een grote epidemie uitbreekt, zou je het luchtverkeer in de hele wereld moeten stilleggen.’’

Martens ziet te veel symptoombestrijding in Nederland. Wateroverlast? Buffers aanleggen. Een opmars van de eikenprocessierups? Bomen kappen! Jeuk? Neem een pilletje. ‘’Mensen willen er meteen vanaf. Met jeuk begrijp ik dat. Maar kap niet meteen eikenbomen maar probeer het evenwicht te herstellen. Bijvoorbeeld door koolmezen aan te trekken die de rupsen eten. Redeneer bij maatregelen vanuit het ecosysteem, dan ben je integraal bezig.’’

Er is volgens hem meer voorlichting nodig voor burgers, zodat die flexibel leren omgaan met de veranderingen. Zeker ook in Limburg, die als meest zuidelijke provincie vaak als eerste heeft te maken met ‘nieuwe’ dieren.

Dwarsverbanden

Martens pleit voor meer samenhang en creativiteit. Die komen niet goed van de grond als de klimaatverandering alleen vanuit disciplines wordt benaderd. Specialisten zijn heel belangrijk en broodnodig, maar daarnaast zijn er generalisten nodig die dwarsverbanden zien. ‘’Ik moest indertijd ook leuren met mijn onderzoek. Het ministerie van Milieu zei dat het thuishoorde bij Volksgezondheid, maar dat verwees mij weer terug naar Milieu.’’

Er lijkt hoop. Martens doceerde afgelopen schooljaar samen met zijn collega Maud Huynen voor het eerst het vak klimaatverandering. Honderdtwintig studenten schreven zich in. Volgeboekt.

Climate March: walk the walk and talk the talk

September 17th, 2019

On the 20th of September, citizens of the world will once again take it to the streets to voice their concerns about climatic changes and the lack of action against it. The global day of action will take place just before the United Nations climate summit in New York. This voice of concern, started by the young generation, has been taken over by all.  Climate change poses an immediate and long-term threat to people and our planet. Universities, like Maastricht University, are uniquely equipped to shape the ideas, leadership and behaviour that will lead the transition to a sustainable future. However, too little is happening in the climate change arena, both in terms of research and teaching. And at the last strike, the scientific staff that walked amongst the students could be counted on one hand. Fortunately, things are changing; students demand it. I am happy we have started a ‘Climate Change Course’, were we do discuss how to act on climate change through research that occurs across disciplines, and policies taken throughout the world. Through teaching and research, and by providing our students with the tools to confront this issue for generations to come, we make a small step to a healthier, more sustainable future. This Friday, I will make even more steps by joining the students in the Climate March – hope to see many of you joining as well.

Blauwe tongen, tijgermuggen, reuzenteken en processierupsen

July 24th, 2019

Onlangs vonden onderzoekers sporen van antrax-bacteriën onder de permafrost in Siberië – een warmer wordend klimaat kan deze wellicht doen vrijkomen. Wat dichter bij huis, maar wat langer geleden: op een workshop georganiseerd door de Universiteit van Wageningen en de Universiteit Maastricht in 2003 presenteerde een groep onderzoekers uit Liverpool een studie naar de mogelijke veranderingen van de verspreiding van het blauwtong virus (een virusziekte, verspreidt door een klein insect (een knut) bij schapen) als het klimaat zou veranderen. Op dat moment kwam de ziekte m.n. in Zuid-Europa voor. Op basis van modeluitkomsten verwachtten de onderzoekers dat er een kans aanwezig zou zijn dat het ook meer noordelijk, o.a. in Nederland, zou kunnen gaan voorkomen. Door de aanwezig beleidsmakers werd er toen een beetje lacherig over gedaan. In 2006 werd de ziekte bij een bedrijf met schapen in Kerkrade vastgesteld.

In 1997 promoveerde ik op de mogelijke gevolgen van een klimaatverandering op de verspreiding van infectieziekten zoals malaria en knokkelkoorts. Een van de mogelijke risico’s die mijn modellen toen aangaven was de dat tijgermug (verantwoordelijk voor de verspreiding van o.a. knokkelkoorts en het zika-virus) door een veranderd klimaat een groter verspreidingsgebied zouden kunnen krijgen. De mug rukt nu op vanuit Zuidoost-Azië naar Europa en – zoals 22 jaar geleden al aangeven – is de kans groot dat de mug overleeft en zich permanent vestigt in Nederland. Deze zomer is weer een tijgermug (in Weert) gevonden.

Deze toename in verspreiding van deze twee – door insecten overgebrachte – ziekten in dier en mens is door onderzoekers ‘voorspeld’ (tussen aanhalingstekens, omdat we natuurlijk niet alle factoren die een ziekte verspreiden precies in kaart kunnen brengen). Maar er zijn ook ziekten die door het klimaat beïnvloedt worden, die we een aantal jaar geleden nauwelijks op ons netvlies hadden. In Duitsland, vlak bij de Nederlandse grens, zijn de afgelopen dagen zeker zes hyalomma-teken gevonden. Die zijn drie keer zo groot als normale teken en kunnen gevaarlijke ziektes overbrengen. En deze week werd deze teek ook in Nederland gesignaleerd. En in Nederland zuchten vele mensen onder de gevolgen van de toename van het aantal eikenprocessierupsen.

Als onderzoeker kan je alleen maar hopen dat de pogingen om het complexe samenspel van klimaat, ziekten en vele andere factoren in kaart te brengen wat serieuzer genomen worden door de politiek en andere instanties. Wellicht dat het onlangs door de Universiteit Maastricht, Universiteit van Wageningen en RIVM geschreven ‘’Kennisagenda onderzoeksprogramma klimaat en gezondheid’’ nu wel leidt tot actie. Niet alleen om de vele vragen die er nog zijn te beantwoorden, maar ook om effecten, in samenspraak met GGD’s, burgers en andere partijen – op een geïntegreerde manier aan te pakken. Want je moet er toch niet aan denken dat we onvoorbereid voor nog meer verassingen komen te staan.

Proefdieren passen niet bij een duurzame universiteit

April 4th, 2019

Proefdieren passen niet bij een duurzame universiteit

Observant

In 2021 zal in Randwijck een nieuwe proefdiervoorziening worden geopend van de Universiteit Maastricht, het biomedisch centrum (BMC). Vorige week werd de bouwvergunning aangevraagd. Onbegrijpelijk, vindt Pim Martens, hoogleraar duurzame ontwikkeling aan de UM. Dieren hebben emoties, voelen net als mensen angst en verdriet. Hoe onethisch is het om ze te gebruiken als proefdier?

Elke universiteit die zichzelf een beetje respecteert, noemt zich tegenwoordig ‘duurzaam’. Ook de Universiteit Maastricht doet haar best om zo duurzaam mogelijk te zijn, respectvol om te gaan met haar medewerkers en kritisch te zijn over de gevolgen die haar handelen voor het milieu heeft. Ook onze studenten roeren zich. Tijden de klimaatmars in Maastricht waren ze met velen en lieten hun zorgen over hoe er met de natuur wordt omgegaan luid en duidelijk horen.

Respect voor de natuur in zijn algemeenheid en respect voor dieren hangen met elkaar samen. Gandhi zei het al: ‘De beschaving van een volk is te meten aan het respect waarmee ze met hun dieren omgaan’. Duurzaamheid draait dus om de vraag hoe begaan mensen zijn met de wereld waarin, en de dieren waarmee ze leven. Dierzaamheid dus. Onze universiteit houdt zich echter niet veel bezig met dierenwelzijn. Een paradox want aan de ene kant wordt er geroepen “laten we meer vegan lunches eten”, en aan de andere kant “dierproeven zijn noodzakelijk”. Alhoewel het proefdiergebruik in Nederland gestaag vermindert – ook aan de UM overigens –  en de Nederlandse overheid het proefdieronderzoek wil afbouwen, gaat de UM een nieuw proefdierencentrum van vier etages bouwen. Ik kon het dan ook niet laten om te twitteren: “Kan je als CvB nog zoveel vegan lunches eten, en als Universiteit roepen dat je duurzamer wilt worden, als @MaastrichtU investeert in een centrum voor dierproeven, houdt het op.” Een toelichting.

Een soort automaten

Zoals het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) al eerder adviseerde, is het voor de transitie naar proefdiervrij-onderzoek nodig afscheid te nemen van bestaande denkwijzen en praktijken. NCad maakt zich dus sterk voor een paradigmaverandering dat inzet op proefdiervrije innovaties. Voor het wettelijk voorgeschreven onderzoek (o.a. verplichte veiligheidstesten voor chemische stoffen, voedselingrediënten, bestrijdingsmiddelen en (dier)geneesmiddelen), ziet het NCad mogelijkheden om het proefdiergebruik sterk te verminderen. Ook voor wetenschappelijk- en preklinisch onderzoek kan het aantal proefdieren sterk gereduceerd worden. De Universiteit Maastricht, als jonge dynamische universiteit, is volgens mij uitstekend in staat om zich internationaal te profileren als toonaangevend op het gebied van proefdiervrije innovaties, onderzoek en onderwijs. Zaak is dat er veel actiever en sneller moeten worden ingezet op een proefdiervrije toekomst dan nu het geval is; de investeringen in een nieuw gebouw zullen de transitie naar proefdiervrij onderzoek eerder remmen. Tot zover de ‘zakelijke’ argumenten.

Een veel belangrijker argument om het gebruik van proefdieren sterk te verminderen, en zelfs helemaal te stoppen, is het feit dat steeds meer modern wetenschappelijk onderzoek, zoals de neuropsychologie, aantoont dat dieren, net als wij, emoties hebben, en op een vergelijkbare manier angst en verdriet voelen.  We zitten echter nog deels met een erfenis van de Franse wiskundige, geleerde en wijsgeer René Descartes (1596-1650) die stelde dat je dieren zou kunnen beschouwen als een soort automaten, zonder gevoel. Als een dier gilt wanneer je er een mes insteekt, is de kreet het instinct en het geluid dat van een machine.

Antropo-ontkenning

Maar we zijn wijzer geworden. Allerlei eigenschappen die als typisch menselijk worden beschouwd, komen ook in het dierenrijk voor. Zelfherkenning is bij mensapen, dolfijnen, olifanten en zelfs een kraaiachtige aangetoond. Empathie, het je kunnen verplaatsen in de gevoelens van een ander, is diverse zoogdieren niet vreemd, soms zelfs soort overschrijdend. Frans de Waal, de eerste Eugène Dubois-hoogleraar aan onze universiteit, beschreef al in 1979 in Burgers’ Dierenpark dat ook chimpansees elkaar troosten. Later werd dit gedrag ook waargenomen bij onder meer olifanten, honden en knaagdieren. Iedereen die een kat of hond als huisdier heeft, zal ook bepaalde emoties in zijn huisdier herkennen. Zodra je in het gevoelsleven van dieren duikt en ziet hoe intelligent ze zijn, hoezeer zij op ons lijken, dan weet je dat dieren gebruiken als proefdieren onethisch is.

We leven echter in een tijd van antropo-ontkenning, een vrije vertaling van wat Frans de Waal “anthropodenial” noemt: wij, mensen, gebruiken dieren als voedsel, voor kleding, voor amusement, en ook in onze proefdierlaboratoria. Om dit op comfortabele wijze te kunnen doen, moeten we onszelf wijsmaken dat dieren niet dezelfde gevoelens kunnen hebben als die van ons.

De discussie zal dus verder moeten gaan dan de drie V’s (vervangen, verminderen en verfijnen) in onderzoek waarvoor proefdieren nodig zijn. Het heeft te maken met moraliteit, speciesisme (discriminatie op basis van soort), rechtvaardigheid, gedrag. Alhoewel er tot nu toe weinig aandacht is voor onderzoek en onderwijs voor mens-dier interactie aan onze universiteit, laat de belangstelling voor het nieuwe interfacultaire en interdisciplinaire UM-platform over menselijke en niet-menselijke relaties en interacties, HARI, zien dat dit onderwerp breed onder staf en studenten leeft.

Duurzaam betekent innovatief zijn. En keuzes durven te maken die laten zien dat je je sterk maakt voor goede relaties en respect tussen iedereen, ongeacht levens- of geloofsovertuiging, geaardheid, afkomst, sekse, genderoriëntatie – of soort. Als de ambitie is om met onderwijs en onderzoek voorop te lopen, dan is het bouwen van een proefdiercentrum een volgende stap op de duurzaamheidsladder – naar beneden welteverstaan.

Meer pootjes aan het bed

February 13th, 2019

Lees hier het rapport: Meer pootjes aan het bed

In het MUMC+ wordt in samenwerking met de kinderboerderij De Heeg, een programma uitgevoerd (project Beestenboel) waarin verschillende dieren onder supervisie in een speciale ruimte door kinderen uit het ziekenhuis kunnen worden bezocht en geknuffeld. Het is een plezierige en ontspannende ontmoeting voor de kinderen en de kinderen en hun ouders genieten daar erg van. Het programma, dat uitgevoerd wordt door professionals en vrijwilligers, biedt uitstekende mogelijkheden om te onderzoeken welke effecten het bezoek van de dieren oplevert voor de kinderen volgens ouders, artsen en andere betrokkenen. De houding van het personeel en ouders ten opzichte van dier-ondersteunde activiteiten en dier-ondersteunde therapieën is cruciaal voor het succes van door dieren gesteunde programma’s. Met dergelijke kennis is het mogelijk om ​​door dieren ondersteunde activiteiten en therapieën in te zetten en de kwaliteit te waarborgen.

Deze pilot studie heeft in kaart gebracht waar volgens ouders, dierverzorgers, stafleden en medici de voordelen en uitdagingen liggen van het huidige programma. Ook heeft het onderzocht of een geprotocolleerd animal-assisted interventie programma met medewerking van de kinderboerderij De Heeg, ouders, staf en andere betrokkenen tot de mogelijkheden behoort en wil het een voorstel doen hoe dit te realiseren.

Op grond van de resultaten van deze studie zou vastgesteld kunnen worden of dit programma zou kunnen worden uitgebreid, verbeterd, veranderd c.q. geprofessionaliseerd. In de diverse Europese ziekenhuizen en vooral in kinderziekenhuizen werden de laatste jaren programma’s gestart met dier-ondersteunde interventies, als onderdeel van behandelprotocollen. Op geprotocolleerde wijze worden in deze programma’s dier-ondersteunde interventies aangeboden op een voor mens/kind, maar ook voor het dier verantwoorde en niet stress-volle wijze.

Dit project kwam mede tot stand  met steun van het Universiteitsfonds Limburg/SWOL.

Laughing dogs and jealous cats?

September 21st, 2017

A public lecture on how we view emotions in animals was held on Thursday 14 September 2017, organised by Museum Boerhaave and the Lorentz Center. With the title ‘Laughing dogs seldom bite?’, it was given by Pim Martens, Professor of Sustainability at Maastricht University, and will examine our attitude to emotions in animals and how these emotions affect us.

Do dogs really look ashamed? Can cats be jealous? Our attitude to the emotions of these animals has changed considerably over time. Scientific evidence for the existence of emotions in animals is stacking up. This will hardly be a surprise for most pet owners: they recognise joy, pleasure and sadness in their pets. And vice versa, they assume that pets recognise their owners’ emotions and adjust their behaviour accordingly. If the owner is sad, the cat or dog will come to comfort them.

In humans, behaviour is guided by emotions. Is this the same in animals? Do they have the same emotions as humans? And can we recognise them? Intense emotional ‘mirroring’ can take place between a pet (or ‘companion animal’) and its owner, including therapeutic interaction. Examples are dolphin therapy for children with autism or Down’s syndrome, and the use of dogs with autistic adults.

Kun jij de emoties van jouw huisdier herkennen?

May 15th, 2017

Iedereen ziet het verschil tussen een blije en een boze hond. Toch? En als je zelf een huisdier hebt is de kans groot dat je zelfs weet wanneer jouw viervoeter verdrietig, medelevend of jaloers is. Dat dénken we tenminste. Hoe goed ben jij in het herkennen van emoties bij jouw hond of kat? En snappen dieren ook hoe wij ons voelen? Pim Martens (Maastricht University) vertelt ons over het herkennen van emoties tussen mens en dier in dit college.

Learning for sustainable development

January 20th, 2015

Presentation at the 3rd GPSS GLI Symposium Tokyo

2015-01-19 09.12.13

It is clear that in making the concept of sustainable development concrete, one has to take into account a number of practical elements and obstacles. There is little doubt that integrated approaches are needed to support sustainable development. Therefore, a new research paradigm is needed that is better able to reflect the complexity and the multidimensional character of sustainable development. The new paradigm, referred to as sustainability science, must be able to encompass different magnitudes of scales (of time, space and function), multiple balances (dynamics), multiple actors (interests) and multiple failures (systemic faults).

The basic qualities that future sustainability scientists will need are: analytical insight, problem-solving qualities and good skills in both verbal and written presentation. No less important is knowledge of the diversity of instruments provided by the various disciplines involved, ranging from mathematics to history, from health sciences to economics. The range of skills needed is so wide that it can only be acquired through interdisciplinary study.

Today’s students will be the business leaders, scientific researchers, politicians, artists and citizens of tomorrow. The extent to which they will be prepared to take decisions in favour of a sustainable future depends on the awareness, the knowledge, expertise and values they have acquired during their studies and in the subsequent years. For this reason, the concepts and themes of sustainability should be integrated into all levels of educational programming. Curricula must be revised so that sustainable development forms a guiding principle throughout the entire period of their studies – and afterwards too. New teaching methods must accompany this ‘learning for sustainable development’.

Full presentation: Learning for sustainable development: the need for new paradigms