All posts by Pim Martens

Dierenwelzijn: Nederland heeft boter op het hoofd

May 19th, 2014

Zie ook Trouw, 19 mei

Varken

Uit het onderzoek van de Trouw  ‘De Staat van het Dier’  blijkt dat dierenwelzijn  – niet onverwacht – een beetje de ‘ver van mijn bed show’ is. Als ik mijn gewoonten maar niet hoeft aan te passen aan (het verbeteren van) dierenwelzijn, is het best. Die gestrande walvis moet gered worden en roep de dierenpolitie als een hond mishandeld wordt. Maar ik wil wel dierentuinen blijven bezoeken (maar giraffe Marius mag niet gedood worden om inteeltgevaar tegen te gaan), vlees eten, en dierproeven zijn noodzakelijk. De gemiddelde Nederland heeft een dus flink pak boter op zijn hoofd. “Ja, ik vind dat dierenmishandelaars in de gevangenis moeten” en “in megastallen kan geen sprake zijn van dierenwelzijn”, maar ik wil wel elke dag een stuk vlees op mijn bord. En dit vlees liever niet afkomstig van een hond. Wat al langer bekend is, zien we nu ook weer duidelijk: een dubbele moraal als het gaat om onze houding ten aanzien van dieren. Men pretendeert duurzaam te leven, is vegetariër, maar geeft wel kilo’s vlees aan de hond.

Dat de gemiddelde Nederlander worstelt met zijn houding ten aanzien van dieren is niet verwonderlijk als we kijken naar de zienswijze vanuit de politiek en samenleving ten aanzien van hoe om te gaan met dieren. Dit hangt ook sterk samen met de bredere  duurzaamheidsdiscussie van de afgelopen jaren. Als we bijvoorbeeld kijken naar de vele duurzaamheidsindicatoren die zijn ontwikkeld, valt het op dat dierenwelzijn hier niet of nauwelijks in terug komt.

De oorzaak dat ‘dieren’ en met ‘duurzaam’ niet vaak samen in een zin genoemd worden is waarschijnlijk te vinden in het feit dat zowel de discussie over dierenwelzijn en duurzaamheid de afgelopen jaren gekaapt is door het bedrijfsleven en, in mindere mate, de overheid. Dit heeft onze zienswijze ten aanzien van duurzame ontwikkeling aanzienlijk belemmerd en ondergeschikt gemaakt aan het dogma van economische groei met weinig aandacht voor dierenwelzijn. Hoe kortzichtig dit is, is de afgelopen jaren wel gebleken uit onder andere de verschillende uitbraken van dierenziekten in de intensieve veehouderij en de antibiotica resistentie die vele ziekteverwekkers ontwikkelen doordat ons vee teveel antibiotica toegediend krijgt.

Ook op andere manieren is ons welzijn nauw verbonden met onze relatie ten opzichte van dieren. Denk bijvoorbeeld aan huisdieren. Uit onderzoek blijkt dat mensen met een huisdier in het algemeen een betere gezondheid hebben dan niet huisdierbezitters. Huisdieren vergoten ook het vermogen tot empathie en het leggen van sociale contacten bij kinderen (zinvolle eigenschappen voor een gezond en gelukkig leven). Ook hebben mensen die sterk betrokken zijn bij dierenwelzijn meer oog voor de problemen van mensen. De keerzijde is  de relatie is tussen huishoudelijk geweld en dierenmishandeling.

“De beschaving van een volk is te meten aan de mate van respect waarmee ze met hun dieren omgaan.” zei Mahatma Ghandi al vele jaren geleden. Dierenwelzijn zou dus centraal moeten staan in onze maatschappij – dierzaamheid dus. Het is praktisch en eenvoudig om  zelf een bijdrage aan dierzaamheid te geven: diervriendelijk handelen   – bijvoorbeeld het goed omgaan met (huis)dieren, wat minder en bewust vleeseten –  komt niet alleen ten goede aan het welzijn van jezelf, maar ook aan een betere en meer beschaafde wereld. heeft iedereen hierin een verantwoordelijkheid. Maar wat te doen met die 43% van de Nederlanders  die vindt dat “de mens boven het dier staat en dit (economisch) naar eigen inzicht mag gebruiken”? Zorgen dat dieronvriendelijk gedrag steeds minder een ‘keuze wordt’ (ban plof-kippen en leg de aanschaf van huisdieren aan banden, bijvoorbeeld). En laat die andere 57% eens wat boter van hun hoofd halen. Dan komen we een beetje in de richting.

Onderzoek naar Dierzaamheid

April 22nd, 2014

Observant1

Laten honden zien wanneer ze zich schamen? Bestaan jaloerse katten? Op dit moment circuleert een enquête van Pim Martens, hoogleraar duurzame ontwikkeling, waarin hij huisdiereigenaren oproept om de emotie van hun viervoeter te beschrijven. Geen grap. Volgens Martens zou dierenwelzijn centraal moeten staan in de duurzaamheidsdiscussie. “Wat betekenen wij voor dieren en zij voor ons?”

Verschenen in de Observant #30

Vraag nummer één: hoe raakt een hoogleraar duurzame ontwikkeling verzeild in een studie naar de emoties van huisdieren? “Binnen ICIS (instituut op het gebied van duurzame ontwikkeling, red.) onderzoeken we mondiale, regionale en lokale processen, en wat ons uniek maakt is dat we dingen combineren, zoals de invloed van klimaatverandering op de gezondheid van mensen, of mondiale partnerships en het certificeren van duurzame producten.” Een nieuwe tak van sport, “dierzaamheid”, past daar volgens Martens prima tussen. “De term duurzaamheid is gekaapt door Jan en alleman; er bestaat zelfs zoiets als duurzame friet. Maar in principe gaat het om de vraag hoe begaan mensen zijn met de wereld waarin ze leven. Hoe gaan ze met elkaar om? Met de aarde, grondstoffen, noem maar op.” Martens constateerde dat dierenwelzijn vaak buiten de boot valt. “Meestal gaat het over de aantallen en de verschillende diersoorten, dus over de kwantiteit en niet over de kwaliteit. Terwijl dat laatste zo belangrijk is. Om met Ghandi te spreken: ‘De beschaving van een volk is te meten aan de mate van respect waarmee ze met hun dieren omgaan.”’

Praat met Martens over dierzaamheid en hij barst los. Allerlei wilde ideeën passeren de revue: een animal happiness index die wereldwijd inzicht moet geven in het welzijn van dieren, en een huisdierenapp waarmee de emotie van de hond kan worden gelezen. Vooralsnog houdt hij het bij een eerste studie naar de emoties van huisdieren. Partner is Marie-José Enders, bijzonder hoogleraar antrozoölogie aan de Open Universiteit. Zij onderzoekt wat dieren betekenen voor mensen, bijvoorbeeld voor bejaarden en autistische kinderen. Martens: “Huisdieren schijnen een positieve invloed hebben op de kwaliteit van leven.” In februari verspreidde het duo een vragenlijst via sociale media. Ze willen achterhalen of mensen bepaalde emoties herkennen bij hun hond of kat. Martens heeft twee katten, en ja, hij ziet duidelijk wanneer ze jaloers of boos zijn. Er zijn zelfs mensen, zegt Martens, die zien of hun viervoeter zich schaamt of teleurgesteld is. Lichaamshouding, geluiden en gelaatsuitdrukking spelen allemaal een rol.
Inmiddels zijn er al meer dan duizend reacties binnen. “Mensen vinden het leuk, het wordt opgepikt. Er heeft zelfs een artikel gestaan in The Voice of Tasmania. We hebben er geen deadline aan verbonden, maar we hopen voor de zomer op een eerste analyse.”

Onderzoek naar dieren heeft veel facetten, zo blijkt uit een gesprek met Martens. Neem de psychologische bril van bioloog Frans de Waal. Hij legt het gedrag van mensapen onder de loep en is daarmee wereldberoemd geworden. Dan is er de medische, biologische bril, zoals in de diergeneeskunde. In weer een ander onderzoeksgebied, de antrozoölogie, draait het om de relatie tussen mens en dier. En die is prima te combineren met duurzaamheid. “Hoe ga je met dieren om? Liefdevol? Eet je minder en bewuster vlees?”, aldus Martens. Hij refereert aan Time to Eat the Dog, een controversieel boek van twee Nieuw-Zeelandse hoogleraren die de ecologische voetafdruk van huisdieren onderzochten. Hun conclusie: een hond is schadelijker voor de planeet dan een SUV. Dat heeft te maken met de enorme hoeveelheid vlees die het dier dagelijks naar binnen werkt. Martens wil maar zeggen: Je pretendeert duurzaam te leven, je bent vegetariër, maar geeft wel kilo’s vlees aan de hond.

Intussen stelt Martens een ander onderwerp ter discussie: dierentuinen. Trouw publiceerde twee weken geleden zijn opinie ‘De dierentuin heeft zijn langste tijd wel gehad’. “Een belangrijke vraag is of je dieren in gevangenschap moet houden. Educatie is een veelgehoord argument vanuit dierentuinen; mensen bewust maken van wat dieren zijn en doen. Maar ik vraag me af hoe hard je dat kunt maken. Het doel van een dierentuin is edutainment, er moet geld worden verdiend. De Britse miljardair Damian Aspinall – eigenaar van een wild animal park – is een kruistocht begonnen tegen parken die dieren levenslang gevangen houden zonder uitzicht op vrijlating. Hij meent, net als ik, dat dierentuinen gebouwd moeten worden om dieren op te vangen. Tijdelijk, want uiteindelijk moeten ze terug naar de natuur. Maar dit is natuurlijk iets voor de toekomst. Nu geldt vooral dat we met zijn allen kritisch moeten nadenken hoe een dierentuin duurzaam kan zijn – ook vanuit het perspectief van de dieren”.

Het dierentuin dilemma

Zie ook Opinie pagina Trouw, 1 april

Afgelopen maand heeft de dierentuin van Kopenhagen Marius de giraf gedood en aan de leeuwen gevoerd. Nu doodde het een gezin van vier leeuwen omdat er een nieuwe mannelijke leeuw arriveerde. De Deense dierentuin zegt dat er geen keuze was- de twee oude leeuwen verloren hun plaats in de hiërarchie, de kleintjes zouden zijn opgegeten door nieuwkomer, een nieuw onderkomen was niet voorhanden. Dit soort berichten stelt opnieuw de rol van dierentuinen ter discussie.

De afgelopen eeuwen hebben dierentuinen gevarieerde rollen gespeeld in de samenleving: zij zijn geëvolueerd van verzamelaars van dieren tot wetenschapscentra , van recreatieve attracties tot pleitbezorgers voor het behoud van diersoorten. De laatste jaren hebben moderne dierentuinen ook een nieuwe rol op zich genomen, die van pleitbezorgers van duurzame ontwikkeling.  Zo is er in de laatste halve eeuw een wereldwijde dierentuinen gemeenschap ontstaan die natuur- en biodiversiteitbehoud probeert te ondersteunen door in-situ en ex-situ kweekprojecten, die bezoekers tracht te verbinden met de natuur en dieren, en die het ons ecologisch bewustzijn door middel van educatieve boodschappen probeert te simuleren.

Ondanks deze ontwikkelingen blijft de vraag wat de ’raison d’ être‘ van de hedendaagse dierentuin zou moeten zijn? Met toenemende aandacht voor internationale biodiversiteitsvraagstukken proberen Westerse dierentuinen een ​​rol in de bescherming van (beschermde) diersoorten te vinden, direct of indirect via hun educatieve programma’s.

Maar  er is nauwelijks of geen bewijs dat dierentuinen een essentiële rol vervullen in het behoud van diersoorten en blijkt het educatieve vermogen vooral beperkt tot een selecte groep mensen. In zijn roman ‘Zoo Story; Life in the Garden of Captives’, beschrijft journalist en auteur French dat het bestaan van  dierentuinen onze gemeende dominantie en heerschappij ten aanzien van andere diersoorten bevestigt.  Hier tegenover staan de opvatting dat de dierentuin een plek is om mensen te  verbinden met de natuur.

Het blijft natuurlijk lastig. Dierentuinen zijn commerciële ondernemingen gericht op het entertainen van een veeleisend publiek. Tegelijkertijd moeten zij tijd en geld besteden voor natuurbehoud.  Verder willen bezoekers de dieren liefst van dichtbij zien, maar de dier-bezoeker interacties zijn niet altijd optimaal voor het welzijn van de dieren. Zo verandert dierenpark Emmen van naam en heet voortaan Wildlands Adventure Zoo Emmen. De nieuwe naam moet duidelijk maken dat het park meer is dan een gewone dierentuin: “een expeditie, een avontuur in een wereld vol spannende verhalen”. Maar laten we eerlijk zijn, als dierentuinen niet het publiek maar de dieren centraal zouden stellen, zouden zij er heel anders uitzien. Tegenstrijdige doelen dus.

Hoe kunnen dierentuinen het beschermen van soorten beter verenigen met het beschermen van het leven en de levenskwaliteit van individuele dieren? Het feit dat dierentuinen van vandaag hun rol actief moeten verdedigen, en zo’n actie van de dierentuin van Kopenhagen, laat al zien dat er ergens iets fout zit. Huidige dierentuinen zouden meer de rol van opvangcentra moeten vervullen voor (beschermde) dieren in nood die later terug in de natuur geplaatst kunnen worden – niet als pretpark waar ook nog dieren in rond lopen. Zoals de beroemdste dierentuin eigenaar van Groot-Brittannië, Damian Aspinall, onlangs zei: “We moeten dierentuinen de komende 20-30 jaar afbouwen en omvormen. Het is verkeerd om levende wezens levenslang gevangen te houden zonder uitzicht op vrijlating. En met de kans om gedood te worden” .

De 4 eerder genoemde leeuwen zijn  niet de enigen.  Zo vertelde een woordvoerder van de European Association of Zoos and Aquaria onlangs aan CNN dat in Europese dierentuinen elk jaar ongeveer 3.000 tot 5.000 dieren – uit ‘populatie management’ overwegingen – worden gedood. Dit stimuleert mijn ecologisch bewustzijn niet.

Pim Martens (met dank aan Floortje Mennen en Carijn Beumer)

Sustanimalism

March 10th, 2014

“The greatness of a nation can be judged by the way its animals are treated” Mahatma Gandhi said many years ago.

Somewhere between this observation and the sustainability debate in recent years, it has gone wrong. If we look at the many sustainability indicators that have been developed over the years, it is striking to see that animal-wellbeing hardly plays a role. Biodiversity and ecosystems indicators put more emphasis on the number and variety of different species than their well-being. Assuming that the words of Gandhi make sense, can we then conclude that the concept of sustainability has nothing to do with civilization? Or is it that animal-wellbeing is a blind spot in the sustainability debate?

Of course is our interaction with the environment, other people and other animals part of our civilization. The reason that ‘animals’ and ‘sustainability’ are not often mentioned together in one sentence is likely to be found in the fact that the sustainability debate has been hijacked in recent years by industry and governments. Their view regarding sustainable development significantly has been subordinate to the dogma of economic growth with little regard for animal welfare. How shortsighted this is, has been illustrated by the various outbreaks of animal diseases in intensive farming, and the development of antibiotic resistance of many pathogens because our cattle are given too many antibiotics. These are just some examples, but it is increasingly clear that our own well-being is closely connected with the welfare of the animals with whom we live.

Take pets, for example. Research shows that people with a pet are in general healthier than non-pet owners. Pets also increase the capacity for empathy and social contacts among children (which are useful characteristics for a healthy and happy life). Furthermore, people who are heavily involved in animal welfare appear to have more compassion for the problems of people. Of course, this supposes a good care of the (domestic) animal. Keeping animals just because it’s (temporary) fun / useful / convenient for us, of course, is not always the most sustainable course of action. We all know stories of neglected pets.

Animal welfare should therefore be central in the sustainability debate: sustanimalism. With this in mind, it is also practical and easy to make a contribution to a sustainable society. Acting animal-friendly – for example, taking good care of your animals and eating less meat – is not only beneficial to your health, but also to a better and more civilized world.

Dierzaamheid

January 15th, 2014

“De beschaving van een volk is te meten aan de mate van respect waarmee ze met hun dieren omgaan”, zei Mahatma Ghandi al vele jaren geleden.

Ergens tussen deze opmerking en de duurzaamheidsdiscussie van de afgelopen jaren is het fout gegaan. Als we kijken naar de vele duurzaamheidsindicatoren die zijn ontwikkeld, valt het op dat dierenwelzijn hier niet of nauwelijks in terug komt. De indicatoren die met biodiversiteit en ecosystemen te maken hebben leggen meer de nadruk op het aantal en de verscheidenheid van verschillende diersoorten dan op hun welzijn. Aannemend dat de opmerking van Ghandi hout snijdt, kunnen we dan concluderen dat het begrip duurzaamheid niets met beschaving te doen heeft? Of is dierwelszijn een ‘blinde vlek’ in de duurzaamheidsdiscussie?

Het eerste kunnen we snel ontkrachten. Uiteraard heeft hoe we omgaan met onze omgeving, medemens en dus ook mededier, met beschaving te maken. De oorzaak dat ‘dieren’ en met ‘duurzaam’ niet vaak samen in een zin genoemd worden is waarschijnlijk te vinden in het feit dat de duurzaamheidsdiscussie de afgelopen jaren gekaapt is door het bedrijfsleven en de overheid. Dit heeft onze zienswijze ten aanzien van duurzame ontwikkeling aanzienlijk belemmerd en ondergeschikt gemaakt aan het dogma van economische groei met weinig aandacht voor dierenwelzijn. Hoe kortzichtig dit is, is de afgelopen jaren wel gebleken uit onder andere de verschillende uitbraken van dierenziekten in de intensieve veehouderij en de antibiotica resistentie die vele ziekteverwekkers ontwikkelen doordat ons vee teveel antibiotica toegediend krijgt. Dit zijn slechts enkele voorbeelden, maar het wordt steeds duidelijker dat ons eigen welzijn nauw samenhangt met het welzijn van de dieren waarmee we samenleven.

Ook op andere manieren is ons welzijn nauw verbonden met onze relatie ten opzichte van dieren. Denk bijvoorbeeld aan huisdieren. Uit onderzoek blijkt dat mensen met een huisdier in het algemeen een betere gezondheid hebben dan niet huisdierbezitters. Huisdieren vergoten ook het vermogen tot empathie en het leggen van sociale contacten bij kinderen (zinvolle eigenschappen voor een gezond en gelukkig leven). Roos Vonk merkte al eerder op dat mensen die sterk betrokken zijn bij dierenwelzijn óók meer oog hebben voor de problemen van mensen. Uiteraard veronderstelt dit een goede verzorging van het (huis)dier en het rekening houden met het dier zelf. Het houden van dieren alleen omdat het (tijdelijk) leuk/nuttig/handig voor ons is, is natuurlijk niet altijd de meest duurzame manier van handelen. We kennen allemaal de verhalen van verwaarloosde huisdieren (overigens: er is een relatie is tussen huishoudelijk geweld en dierenmishandeling, maar dit terzijde).

Dierenwelzijn zou dus centraal moeten staan in de duurzaamheidsdiscussie – dierzaamheid dus. Het is ook praktisch en eenvoudig om met dit in het achterhoofd zelf een bijdrage aan een duurzame samenleving te geven. Diervriendelijk handelen – bijvoorbeeld het goed omgaan met (huis)dieren, wat minder en bewust vlees eten – komt niet alleen ten goede aan het welzijn van jezelf, maar ook aan een betere en meer beschaafde wereld. Goed voornemen voor 2014?

Een taxonomie van de wetenschapsactivist

October 16th, 2013

Omdat de politiek faalt, hoort men soms dat de wetenschap het zou moeten overnemen. Experts zouden uit hun ivoren toren moeten treden om zich actiever met de maatschappelijke discussie te bemoeien. Maar wat betekent dat concreet? Een maatschappelijk engagement kan immers verschillende vormen aannemen, en die verschillende vormen komen met eigen idealen en mogelijke problemen. Wat voor klimaatwetenschappers geldt, geldt natuurlijk ook voor andere wetenschappers. Het is daarom van belang scherp te stellen op de manieren waarop wetenschap en maatschappelijke betrokkenheid kunnen interageren. Hierbij dus een kleine taxonomie van de wetenschapsactivist.

In een eerste vorm treedt de wetenschapper op als een publiek intellectueel en staan wetenschappelijk werk en maatschappelijke betrokkenheid grotendeel los van elkaar. Een goed voorbeeld biedt Albert Einsteins inzet voor de wereldvrede, de burgerrechten en het zionisme. Geen van die zaken hebben veel met fysica te maken. Einstein vond echter dat hij (net als elke burger) een rol te spelen had in de morele en maatschappelijke discussies van zijn tijd. Als bekende wetenschapper vond hij ook gemakkelijk zijn weg naar de media. Einstein kon zich beroepen op een kritische zin, grote belezenheid en moreel besef – maar geen van alle zijn uiteraard exclusieve kwaliteiten van de wetenschapper.

In andere gevallen vormt wetenschappelijk onderzoek het directe uitgangspunt van het activisme. Rachel Carsons strijd tegen DDT biedt een goede illustratie van een dergelijk wetenschapsgedreven activisme. Als biologe bij de Amerikaanse Fish and Wildlife Service had Carson toegang tot gegevens die de schadelijke effecten van DDT op dier en mens leken aan te tonen. Met haar bekende boek Silent Spring startte ze vervolgens een actieve campagne tegen het gebruik van DDT. Vele andere voorbeelden zijn denkbaar. Cijfers over de verandering van het klimaat kunnen onderzoekers overtuigen om zich openlijk voor bepaalde maatschappelijke hervormingen in te zetten. Daarbij is het natuurlijk belangrijk in het achterhoofd te houden dat (zeker in controversiële kwesties) de wetenschap zelden met één stem spreekt.

In een derde mengvorm van wetenschap en maatschappelijke betrokkenheid komen de idealen niet voort uit wetenschappelijk werk maar gaan ze eraan vooraf. Het gaat daarbij om ‘doel-specifieke’ wetenschap. Een goed voorbeeld biedt hier de conservatie-biologie zoals die door onder meer Edward Wilson wordt gepropageerd. Deze wetenschapstak veronderstelt dat de bescherming van soorten een goede zaak is, en roept de wetenschap in om die bescherming op een efficiënte manier te organiseren. Dit toont dat objectiviteit en neutraliteit niet hetzelfde zijn. Wetenschap kan objectief zijn en toch een bepaalde ideologische agenda dienen. Conservatiebiologie is niet neutraal, maar kan wél objectieve criteria voor efficiënte bescherming aanreiken.

Bij wetenschapsgedreven activisme komt de morele beslissing ná het wetenschappelijk onderzoek, bij doel-specifieke wetenschap komt ze ervóór. Sinds de jaren 1960 benadrukt een groeiend aantal intellectuelen echter dat het morele aanwezig is in de wetenschap zélf. Dergelijke ideeën hebben geleid tot een wetenschapsintern activisme, een activisme dat zich richt op de verandering van de wetenschap van binnenuit. Donna Harraway’s werk binnen het veld Science and Technology Studies biedt hier een goed voorbeeld. Met haar analyses van de primatologie toonde ze aan hoe metaforen en interpretaties in de wetenschappelijke studie van apengedrag idealen van mannelijke dominantie verraadden. Vanuit die analyse bepleitte ze een hervorming van de primatologie. Op die manier wordt het actieterrein van de activist verlegd naar de collegezalen en de laboratoria.

Elke vorm van wetenschapsactivisme kan legitiem zijn. Maar voor elke vorm zijn er ook mogelijke problemen. Wanneer wetenschappers een rol als publiek intellectueel opnemen is er steeds het gevaar dat er een oneigenlijke transfer van autoriteit plaatsvindt. In een dergelijk geval spreekt de wetenschapper weliswaar als burger, maar gebruikt hij of zij wél het aura van de wetenschap. Wetenschapsgedreven activisme en doelspecifieke wetenschap op hun beurt kunnen uitmonden in technocratische idealen. Er kan een sfeer ontstaan waarin maatschappelijke problemen als wetenschappelijke problemen worden voorgesteld, en politieke oplossingen als objectieve en onvermijdelijke onderzoeksresultaten. Op die manier verschuift het beslissingsrecht over maatschappelijke kwesties van burgers naar experts en wordt de democratie uitgehold. Wetenschapsintern activisme kan tenslotte de (foutieve) impressie creëren dat wetenschap alleen maar een vermomd ideologisch conflict is. Door de objectiviteit van bepaalde wetenschappelijke activiteiten te ontmaskeren, kan de indruk ontstaan dat alles in de wetenschap op subjectieve waarden berust. Ongewild kan het wetenschapsintern activisme de impressie creëren dat ‘anything goes in science’ – en zo de mogelijke rol van wetenschap bij voorbaat uithollen.

Het is waarschijnlijk goed dat de wetenschapper wordt aangezet om uit de ivoren toren te komen. Maar eens buiten kan hij of zij nog verschillende kanten op. En er zijn verschillende valkuilen in de weg.

Raf de Bont – Universitair Docent, Universiteit Maastricht
Pim Martens – Hoogleraar Duurzame Ontwikkeling, Universiteit Maastrich

Homo Sustinens

May 11th, 2013

We denken meestal aan evolutie als iets dat lange tijd duurt, en dus zeer langzaam plaatsvindt. Het duurt al gauw honderdduizenden tot miljoenen jaren voordat soorten evalueren en zich aanpassen aan veranderde omstandigheden.

Maar dit blijkt dus niet altijd het geval. Onlangs maakten onderzoekers bekend dat klifzwaluwen in het zuidwesten van Nebraska zich snel wisten aan te passen aan het wegverkeer. Het is namelijk zo dat vogels met kortere vleugels minder kans hebben om op een autoruit of bumper terecht te komen. In minder dan 30 jaar is dan ook de gemiddelde spanwijdte van deze vogels beduidende korter geworden, waardoor er dus nu ook minder vogels botsen met auto’s.

Dit is slechts één voorbeeld, maar er is in toenemende mate wetenschappelijke aandacht voor de tijd waarin evolutionaire ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Evolutionaire veranderingen vinden waarschijnlijk veel sneller plaats vindt dan we voorheen dachten. En de mens speelt hierin een groter rol dan gedacht.

Een van de factoren die in het versnellen van evolutie een rol kan spelen is het verstoren of aantasten van de omgeving waarin een soort leeft. Hierbij gaat het zowel om de snelheid als de mate van ontwrichten van de leefomgeving. Zo  suggereren andere studies dat door de moderne commerciële visserij, met name door de opkomst van technologieën zoals het vissen met door motor aangedreven netten, vispopulaties zijn veranderd. In de loop van een paar generaties, worden bepaalde vissoorten eerder geslachtsrijp en zijn dan ook kleiner. Dit is natuurlijk handig als vis om te overleven, maar maakt aan de andere kant de vis als voedsel minder geschikt voor zowel ons als andere roofdieren.

Nu zijn er natuurlijk ook milieuveranderingen zonder menselijke tussenkomst, maar wij zijn toch ook wel erg goed in het maken ervan. Of het nu gaat om de aanleg van een snelweg of de komst van een vissersvloot,  dramatische milieu-verschuivingen kunnen lokale soorten heel snel veranderen. En die veranderingen kunnen zelfs nieuwe soorten  of ondersoorten  creëren, allemaal binnen een tijdsbestek van tientallen tot honderden jaren.

Het ziet er dus naar uit de evolutie op een veel korte tijdspanne een rol speelt in het veranderen van soorten en hierdoor ook van de ecosystemen waarvan ze onderdeel uit maken. Naast de voordelen die het sneller aanpassen van bepaalde soorten heeft, zijn er dus ook meer ingrijpende consequenties mogelijk – consequenties die we nu nog niet overzien. Met andere woorden, het gaat niet alleen over hoe de auto’s op een snelweg het aantal vogels vermindert. Het gaat ook over hoe de vogels zich aanpassen aan de snelweg, en wat de gevolgen van deze aanpassingen zijn op het grotere (eco)systeem. Eten zwaluwen met korte vleugels andere dingen dan hun soortgenoten met lange vleugels? Zijn ze ook moeilijker te vangen door hun vijanden? Enzovoort.

Milieuveranderingen tasten dus op een complexere manier onze ecosystemen aan dan we dachten. En nu maar hopen dat ook wij door de toegenomen aantasting van onze aarde  sneller evolueren naar een Homo Sustinens.