Een taxonomie van de wetenschapsactivist

October 16th, 2013

Omdat de politiek faalt, hoort men soms dat de wetenschap het zou moeten overnemen. Experts zouden uit hun ivoren toren moeten treden om zich actiever met de maatschappelijke discussie te bemoeien. Maar wat betekent dat concreet? Een maatschappelijk engagement kan immers verschillende vormen aannemen, en die verschillende vormen komen met eigen idealen en mogelijke problemen. Wat voor klimaatwetenschappers geldt, geldt natuurlijk ook voor andere wetenschappers. Het is daarom van belang scherp te stellen op de manieren waarop wetenschap en maatschappelijke betrokkenheid kunnen interageren. Hierbij dus een kleine taxonomie van de wetenschapsactivist.

In een eerste vorm treedt de wetenschapper op als een publiek intellectueel en staan wetenschappelijk werk en maatschappelijke betrokkenheid grotendeel los van elkaar. Een goed voorbeeld biedt Albert Einsteins inzet voor de wereldvrede, de burgerrechten en het zionisme. Geen van die zaken hebben veel met fysica te maken. Einstein vond echter dat hij (net als elke burger) een rol te spelen had in de morele en maatschappelijke discussies van zijn tijd. Als bekende wetenschapper vond hij ook gemakkelijk zijn weg naar de media. Einstein kon zich beroepen op een kritische zin, grote belezenheid en moreel besef – maar geen van alle zijn uiteraard exclusieve kwaliteiten van de wetenschapper.

In andere gevallen vormt wetenschappelijk onderzoek het directe uitgangspunt van het activisme. Rachel Carsons strijd tegen DDT biedt een goede illustratie van een dergelijk wetenschapsgedreven activisme. Als biologe bij de Amerikaanse Fish and Wildlife Service had Carson toegang tot gegevens die de schadelijke effecten van DDT op dier en mens leken aan te tonen. Met haar bekende boek Silent Spring startte ze vervolgens een actieve campagne tegen het gebruik van DDT. Vele andere voorbeelden zijn denkbaar. Cijfers over de verandering van het klimaat kunnen onderzoekers overtuigen om zich openlijk voor bepaalde maatschappelijke hervormingen in te zetten. Daarbij is het natuurlijk belangrijk in het achterhoofd te houden dat (zeker in controversiële kwesties) de wetenschap zelden met één stem spreekt.

In een derde mengvorm van wetenschap en maatschappelijke betrokkenheid komen de idealen niet voort uit wetenschappelijk werk maar gaan ze eraan vooraf. Het gaat daarbij om ‘doel-specifieke’ wetenschap. Een goed voorbeeld biedt hier de conservatie-biologie zoals die door onder meer Edward Wilson wordt gepropageerd. Deze wetenschapstak veronderstelt dat de bescherming van soorten een goede zaak is, en roept de wetenschap in om die bescherming op een efficiënte manier te organiseren. Dit toont dat objectiviteit en neutraliteit niet hetzelfde zijn. Wetenschap kan objectief zijn en toch een bepaalde ideologische agenda dienen. Conservatiebiologie is niet neutraal, maar kan wél objectieve criteria voor efficiënte bescherming aanreiken.

Bij wetenschapsgedreven activisme komt de morele beslissing ná het wetenschappelijk onderzoek, bij doel-specifieke wetenschap komt ze ervóór. Sinds de jaren 1960 benadrukt een groeiend aantal intellectuelen echter dat het morele aanwezig is in de wetenschap zélf. Dergelijke ideeën hebben geleid tot een wetenschapsintern activisme, een activisme dat zich richt op de verandering van de wetenschap van binnenuit. Donna Harraway’s werk binnen het veld Science and Technology Studies biedt hier een goed voorbeeld. Met haar analyses van de primatologie toonde ze aan hoe metaforen en interpretaties in de wetenschappelijke studie van apengedrag idealen van mannelijke dominantie verraadden. Vanuit die analyse bepleitte ze een hervorming van de primatologie. Op die manier wordt het actieterrein van de activist verlegd naar de collegezalen en de laboratoria.

Elke vorm van wetenschapsactivisme kan legitiem zijn. Maar voor elke vorm zijn er ook mogelijke problemen. Wanneer wetenschappers een rol als publiek intellectueel opnemen is er steeds het gevaar dat er een oneigenlijke transfer van autoriteit plaatsvindt. In een dergelijk geval spreekt de wetenschapper weliswaar als burger, maar gebruikt hij of zij wél het aura van de wetenschap. Wetenschapsgedreven activisme en doelspecifieke wetenschap op hun beurt kunnen uitmonden in technocratische idealen. Er kan een sfeer ontstaan waarin maatschappelijke problemen als wetenschappelijke problemen worden voorgesteld, en politieke oplossingen als objectieve en onvermijdelijke onderzoeksresultaten. Op die manier verschuift het beslissingsrecht over maatschappelijke kwesties van burgers naar experts en wordt de democratie uitgehold. Wetenschapsintern activisme kan tenslotte de (foutieve) impressie creëren dat wetenschap alleen maar een vermomd ideologisch conflict is. Door de objectiviteit van bepaalde wetenschappelijke activiteiten te ontmaskeren, kan de indruk ontstaan dat alles in de wetenschap op subjectieve waarden berust. Ongewild kan het wetenschapsintern activisme de impressie creëren dat ‘anything goes in science’ – en zo de mogelijke rol van wetenschap bij voorbaat uithollen.

Het is waarschijnlijk goed dat de wetenschapper wordt aangezet om uit de ivoren toren te komen. Maar eens buiten kan hij of zij nog verschillende kanten op. En er zijn verschillende valkuilen in de weg.

Raf de Bont – Universitair Docent, Universiteit Maastricht
Pim Martens – Hoogleraar Duurzame Ontwikkeling, Universiteit Maastrich

Homo Sustinens

May 11th, 2013

We denken meestal aan evolutie als iets dat lange tijd duurt, en dus zeer langzaam plaatsvindt. Het duurt al gauw honderdduizenden tot miljoenen jaren voordat soorten evalueren en zich aanpassen aan veranderde omstandigheden.

Maar dit blijkt dus niet altijd het geval. Onlangs maakten onderzoekers bekend dat klifzwaluwen in het zuidwesten van Nebraska zich snel wisten aan te passen aan het wegverkeer. Het is namelijk zo dat vogels met kortere vleugels minder kans hebben om op een autoruit of bumper terecht te komen. In minder dan 30 jaar is dan ook de gemiddelde spanwijdte van deze vogels beduidende korter geworden, waardoor er dus nu ook minder vogels botsen met auto’s.

Dit is slechts één voorbeeld, maar er is in toenemende mate wetenschappelijke aandacht voor de tijd waarin evolutionaire ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Evolutionaire veranderingen vinden waarschijnlijk veel sneller plaats vindt dan we voorheen dachten. En de mens speelt hierin een groter rol dan gedacht.

Een van de factoren die in het versnellen van evolutie een rol kan spelen is het verstoren of aantasten van de omgeving waarin een soort leeft. Hierbij gaat het zowel om de snelheid als de mate van ontwrichten van de leefomgeving. Zo  suggereren andere studies dat door de moderne commerciële visserij, met name door de opkomst van technologieën zoals het vissen met door motor aangedreven netten, vispopulaties zijn veranderd. In de loop van een paar generaties, worden bepaalde vissoorten eerder geslachtsrijp en zijn dan ook kleiner. Dit is natuurlijk handig als vis om te overleven, maar maakt aan de andere kant de vis als voedsel minder geschikt voor zowel ons als andere roofdieren.

Nu zijn er natuurlijk ook milieuveranderingen zonder menselijke tussenkomst, maar wij zijn toch ook wel erg goed in het maken ervan. Of het nu gaat om de aanleg van een snelweg of de komst van een vissersvloot,  dramatische milieu-verschuivingen kunnen lokale soorten heel snel veranderen. En die veranderingen kunnen zelfs nieuwe soorten  of ondersoorten  creëren, allemaal binnen een tijdsbestek van tientallen tot honderden jaren.

Het ziet er dus naar uit de evolutie op een veel korte tijdspanne een rol speelt in het veranderen van soorten en hierdoor ook van de ecosystemen waarvan ze onderdeel uit maken. Naast de voordelen die het sneller aanpassen van bepaalde soorten heeft, zijn er dus ook meer ingrijpende consequenties mogelijk – consequenties die we nu nog niet overzien. Met andere woorden, het gaat niet alleen over hoe de auto’s op een snelweg het aantal vogels vermindert. Het gaat ook over hoe de vogels zich aanpassen aan de snelweg, en wat de gevolgen van deze aanpassingen zijn op het grotere (eco)systeem. Eten zwaluwen met korte vleugels andere dingen dan hun soortgenoten met lange vleugels? Zijn ze ook moeilijker te vangen door hun vijanden? Enzovoort.

Milieuveranderingen tasten dus op een complexere manier onze ecosystemen aan dan we dachten. En nu maar hopen dat ook wij door de toegenomen aantasting van onze aarde  sneller evolueren naar een Homo Sustinens.